Duitse Sorben vrezen voor voortbestaan

De Sorben, een Slavische minderheid in Oost-Duitsland, zijn bezorgd om hun culturele identiteit. In subsidies wordt gesnoeid. ‘Als je scholen sluit, is dat dan discriminatie?’

De Sorben zijn blij, en de Sorben zijn bang. Dit West-Slavische volk, erkend en wettelijk beschermd als nationale minderheid in Duitsland, zetelt eindelijk in het centrum van de macht. En vreest tegelijk voor zijn voortbestaan.

Het was een veelbewogen week voor de Sorben. Woensdag werd de 49-jarige Sorb Stanislaw Tillich beëdigd als minister-president van de Duitse deelstaat Saksen, een opmerkelijke gebeurtenis. Het premierschap van Saksen is een invloedrijke positie, en politici die zo’n ambt bekleden vertegenwoordigen doorgaans de grootste gemene deler. Dat doet de christen-democraat Tillich naar eigen zeggen ook: „Ik ben er voor alle inwoners van Saksen.” Maar dat hij deel uitmaakt van de kleine Sorbische minderheid is hier niemand ontgaan. In het overvolle Saksische parlement in Dresden zijn de laatste woorden van Tillichs beëdiging demonstratief in het Sorbisch: „Z Bozej pomocu” – met Gods hulp.

Veel Sorben zijn naar Dresden gereisd om deze plechtige gebeurtenis bij te wonen. „Natuurlijk zijn we er trots op dat Tillich een Sorb is”, zegt Jan Nuck, ondernemer in Bautzen, vlakbij de Tsjechische grens en een van de regionale Sorbische centra. In z’n vrije tijd is Nuck voorzitter van de Domowina, de bond die de belangen van de Sorben vertegenwoordigt. ‘Domowina’ is in het Sorbisch – een Slavische taal – de poëtische uitdrukking voor vaderland.

Nuck heeft reden om feest te vieren, met een Sorb aan het hoofd van Saksen. Maar voor feestelijkheden zijn de tijden te verontrustend. De Sorben, zegt hij, dreigen door een financiële strijd vermalen te worden tussen de rijksoverheid en de twee deelstaten waarin ze leven. Bezuinigingen brengen de Sorbische culturele identiteit in gevaar. Twee andere langlopende zaken doen de Sorben ook geen goed: de bruinkoolwinning – waardoor Sorbische dorpen verdwijnen – en de demografie. Er worden te weinig Sorben-baby’s geboren.

De woede over het snoeien in subsidies is zo groot, dat de Sorben deze week voor het eerst in hun geschiedenis naar Berlijn zijn getrokken om te demonstreren, in wezen voor hun voortbestaan. De zorgen der Sorben zijn dus groot. Maar wie zijn de Sorben eigenlijk?

De Sorben (of Wenden) maakten deel uit van Slavische stammen die in de tijd van de Grote Volksverhuizing in het begin van de zesde eeuw in westelijke richting trokken. Als overblijfsel wonen nu ongeveer zestigduizend Sorben in het uiterste oosten van Duitsland. Hun woonstreek is de Lausitz in de deelstaten Brandenburg en Saksen. Er zijn Nedersorben en Oppersorben, die twee licht verschillende talen spreken. Cottbus is het centrum van 20.000 protestante Nedersorben. En in Bautzen en omgeving wonen 40.000 rooms-katholieke Oppersorben.

De Sorben hebben een eigen taal, een eigen volkslied, een eigen vlag (blauw rood wit), eigen schrijvers en een eigen krant, de Serbske Nowiny, „onafhankelijk avondblad voor het Sorbische volk”. Tegen die krant zei de Sorbische componist Detlef Kobjela onlangs dat door de bezuinigingen een erfgoed van eeuwen verloren dreigt te gaan. „Zoiets kan ik alleen maar vergelijken met wat de Talibaan doen”.

Die vergelijking gaat Jan Nuck van de belangenorganisatie Domowina te ver. Maar dat de Sorben in hun culturele identiteit worden bedreigd, staat voor hem vast. Kort geleden moest door geldgebrek een Sorbische school in het dorp Panschwitz-Kuckau sluiten. „Dat is een drama voor ons”, zegt Nuck. Extra pijnlijk: Panschwitz-Kuckau is het dorp van Stanislaw Tillich, de nieuwe premier van Saksen.

De Sorben zijn eeuwenlang vervolgd en gediscrimineerd. Treurig dieptepunt waren de Hitler-jaren. De Slavische identiteit werd er toen letterlijk uitgeslagen. In de tijd van de DDR veranderde dat. De Sorben werden ineens gekoesterd als een modelminderheid. Als er toen niet zoveel aan ‘wederopbouw’ van het culturele erfgoed was gedaan, zou het met de Sorben nu veel slechter zijn gesteld, zegt Jan Nuck.

Hajko Kozel, lid van het Saksische parlement namens de linkse partij Die Linke meent dat de omgang van de Bondsrepubliek de Sorben voorbeeld voor Europa had kunnen zijn. „Jammer genoeg is het tegenovergestelde het geval. We zijn de laatste tien jaar als bedreigde minderheid met weinig gevoel bejegend”, zegt hij. Is er feitelijk sprake van discriminatie? Kozel beantwoordt die vraag met een tegenvraag: „Als je scholen sluit, is dat dan discriminatie?”

In Bautzen – een prachtige stad waar in de DDR-tijd een beruchte Stasi-gevangenis stond – is het Sorbische erfgoed overal te zien. Er is een museum, een wetenschappelijk instituut, een boekhandel en een nationaal muziekensemble voor de Sorben. Veel cultuur voor weinig mensen, zeggen de critici. En allemaal gesubsidieerd. Maar zonder steun komt er geen Sorbische krant uit, had de Sorbische schrijver Jurij Brezan zijn meesterwerk Krabat misschien niet gepubliceerd en was de taal allang morsdood geweest.

„Bozemje”, zegt de verkoopster in de mooie maar stille Sorbische boekhandel. „Tot ziens. En bedankt voor de aankopen.” Zonder subsidie zou ook haar winkel moeten sluiten.