Deze indianen weigeren al 500 jaar elk contact

Om de laatste indianen te beschermen die weinig of geen contact met de rest van de wereld hebben gehad, verspreidt een Braziliaanse expert foto’s van hen.

De rubbertappers die dagen varen stroomafwaarts leven noemen hen indios bravos, wilde indianen. Ze vertellen angstaanjagende verhalen over collega’s die te ver de kreken zijn opgevaren en die door indios bravos zijn gedood en daarna toegetakeld. Ze vonden lichamen zonder vingers, oren en ogen en met gaten in de borst.

De Braziliaan José Carlos Meirelles bemant een observatiepost in een stuk van het Amazonewoud dat nauwelijks betreden is door westerlingen. Het gaat om het grensgebied van Brazilië en Peru. Aan de Braziliaanse kant heb je hier tien miljoen hectare aaneengesloten, dicht bos (een gebied, iets groter dan Portugal) dat verder doorloopt in Peru en vrijwel alleen via rivieren bereikbaar is. In dit gebied wonen nog honderden onbekende indianen – nomaden en seminomaden – die hun territorium met pijlen en knuppels verdedigen tegen indringers.

„Ze zien geen verschil tussen de ene blanke en de andere”, zegt Meirelles per telefoon uit Brazilië. Hij werkt voor Funai, het regeringsorgaan voor indianenzaken en moet de indianen verdedigen – voor zover dat gaat in zo’n gigantisch gebied. Zijn observatiepost, waar hij woont met familie en medewerkers, fungeert als buffer om de teruggetrokken indianen te vrijwaren van contact. Meirelles: „Deze indianen hebben al meer dan vijfhonderd jaar contact met de blanke beschaving geweigerd.”

Daarnaast onderneemt de indianenexpert ook expedities – te voet en per kano – om vast te stellen waar de indianen precies rondzwerven. Zo kan het jachtterrein en dus de geschikte omvang van een reservaat voor hen worden bepaald. In Brazilië kan voor indianen met wie nog nooit contact is geweest ter bescherming toch een reservaat worden afgekondigd.

Toch zijn er nog steeds mensen die niet geloven dat deze volken werkelijk bestaan. Houtkapbedrijven doen er alles aan om die twijfel aan te wakkeren. Daarom was Meirelles opgetogen toen hij – bij een verkenningsvlucht eerder deze maand, waarbij ook een fotograaf was meegegaan – bij hutten waar hij al vaak over heen was gevlogen voor het eerst mensen zag.

Meirelles: „Toen we er ’s ochtends overvlogen, vluchtten de vrouwen en kinderen het bos in.” De mannen waren toen vermoedelijk aan het jagen. Toen ze ’s middags weer overkwamen, stonden de mannen bij de hutten. Meirelles: „Ze oogden stevig, gezond en strijdlustig en onthaalden ons vliegtuig op pijlen.” Ze hadden zich beschilderd met urucú (een plantaardige rode kleurstof) en jenipapo (een bes die als zwarte verf gebruikt wordt), bij sommige stammen een teken van oorlog.

Hun penis was omhoog geknoopt aan een witte, katoenen band die ze om hun middel droegen. Sommigen hadden ook een band door hun haar, dat was weggeschoren tot halverwege de schedel, maar van achteren weer lang was. Meirelles telde zes grote, collectieve hutten en veel akkers.

De indianenexpert schat dat dit volk sinds zijn eerste inspectietocht twintig jaar geleden verdubbeld is in omvang. „Dat is een teken dat het deze indianen goed gaat.” Ook treft hij de indianen vaker bij bredere waterstromen. „Ze zijn steeds minder bang.”

[Vervolg INDIANEN: pagina 4]

INDIANEN

Illegale houthandel jaagt de indianen op

[Vervolg van pagina 1] Tijdens de verkenningsvlucht had de indianenexpert ook twee hutten getraceerd van een andere groep. Een collega had op een satellietfoto een stipje ontdekt dat een indianenhut kon zijn.

Zelf had hij vorig jaar in dit gebied veel sporen gevonden en toen hij er begin dit jaar per kano kwam werd hij er met een pijl beschoten. Dat is ook een teken dat de indianen zich bedreigd voelen, stelt Meirelles vast.

De indianen horen volgens hem tot een volk dat de rivier is komen afzakken, omdat ze in Peru opgejaagd worden door houthandelaren. Meirelles: „De realiteit daar overtreft de ergste fantasie.” Eerder dit jaar was de Braziliaan op bezoek aan de andere kant van de grens. Hij keerde geschokt terug.

„De illegale houthandel maakt daar de dienst uit”, zegt hij. De handelaren leggen wegen aan, ontbossen de reservaten van verwesterde indianen, vissen met dynamiet in kreken, stropen wild en sturen verwesterde indianen met wapens het bos in om geïsoleerd levende indianen die zich verzetten tegen de invasie dood te schieten.

En de legale handelaren betrekken hun hout van de illegale. „Europeanen moeten zich realiseren: hun prachtige mahoniehouten meubelstuk is ingelegd met de levens van enkele indianen.”

Meirelles zag zelfs verwesterde indianen die illegale houthandelaar zijn. „Het is uit armoede”, zegt hij. „De Peruaanse overheid heeft de indianen in de steek gelaten.”

Met de indianen uit Peru erbij telt het Braziliaanse deel van dit gebied voor zover bekend nu vier volken waarmee geen contact is geweest. In de twintig jaar dat Meirelles er woont, stond hij slechts drie keer oog in oog met zulke indianen.

Eind jaren tachtig toen hij net in het gebied begon, schoot hij om zijn schoonvader te verdedigen een indiaanse man dood. Hij noemde het in een eerder interview „een dramatische situatie”, hij is er niet voor vervolgd.

Tien jaar geleden moest de Braziliaanse luchtmacht Meirelles en twintig medewerkers in allerijl evacueren uit het oerwoud. De mannen waren een reservaat aan het demarqueren. Dat houdt in dat er op de denkbeeldige grenslijn een gang in het bos wordt gekapt door bomen om te zagen. Vervolgens wordt er om de honderd meter een betonblok met de naam van het reservaat geplaatst.

Op de drieëndertigste dag sloeg Meirelles alarm via de kortegolfradio. Ze waren omsingeld door een grote groep indianen en hij hield rekening met een aanval. De indianen hadden al de uitkijkpost van waaruit de mannen waren vertrokken in brand gestoken.

Het jaar daarop stond hij in de avondschemering bij zijn huis, toen hij over de droge rivierbedding een horde naakte indianen zag aankomen. Het waren zo’n tweehonderd mensen, ook vrouwen en kinderen. Mannen met pijlen liepen voorop. Meirelles, zijn familie en medewerkers vluchtten halsoverkop in de boten die bij het huis lagen. Hij had nog wel omgekeken. De mannen hadden gewenkt. Het was geen aanval, realiseerde hij zich toen. Ze hadden nooit een pijl afgeschoten. „Ik had het gevoel dat ze contact wilden.”

Hij denkt regelmatig aan het incident. Als het weer zou gebeuren, zou hij naar hen toe willen lopen om hun te vertellen dat ze weer terug moeten naar het bos. „Je hebt hier niets te zoeken” – maar het probleem is dat geen indiaan dat gelooft.

Meirelles loopt al veertig jaar mee en heeft in de jaren zeventig gezien hoe stammen desintegreerden en verloederden na het eerste contact. Zijn collega Sydney Possuelo, de man in Brazilië die acht keer contact legde met onbekende volken, zei het ooit zo: „Als je indianen ziet op het moment van het eerste contact, zijn ze sterk en trots. Wij hebben weliswaar angstaanjagende wapens, maar zij denken dat wij een klein groepje zijn, zoals zij. Als je twee jaar later terugkomt, zijn ze lamgeslagen en is hun zelfrespect verdwenen. Inmiddels weten ze dan met hoe ongelooflijk velen wij zijn en dat ze geen enkele kans hebben ons te verslaan. Van die zelfbewuste indianen is niets meer over.”

Meirelles ziet dat ook zo. „Als je hun nog tien of twintig jaar zonder contact kunt geven, is het al de moeite waard.”

Zijn wens is dat de foto’s die hij deze week na overleg met zijn bazen van Funai de wereld instuurde dat effect kunnen bewerkstelligen. „Ik hoop dat deze beelden mensen binnen en buiten Brazilië ervan bewust maken hoe bitter noodzakelijk het is om het oerwoud en deze onbekende volken te beschermen.”

Meer foto’s van de indianen op nrc.nl/foto