De wet van Michels

Voor De Generaal lag het bijna voor de hand om het Nederlands elftal in 1974 extreem aanvallend te laten spelen. In zijn verdediging stonden drie backs die de beste aanvallers van de wereld aankonden. Met Ruud Krol, Wim Suurbier en Wim Rijsbergen in de achterste linie – tactisch slim, hard, snel en volledig geconcentreerd – konden de overige leden van Oranje onvervaard ten aanval.

Veertien jaar later kende het Nederlands elftal verdedigend veel meer onzekerheden. Zowel in de achterhoede als op het middenveld. Juist daarom koos Rinus Michels tijdens het EK van 1988 voor een tactiek met meer mensen achter de bal, zoals dat heet. Wat hij kwalitatief miste, loste hij kwantitatief op. De meeste veldspelers werden opgezadeld met defensieve of ‘controlerende’ taken. Kennelijk is dat de paradox van aanvallen: alleen een team met superbacks kan zich een werkelijk offensieve houding permitteren.

Zo beschouwd zou Nederland, wil het straks tijdens het EK optimaal presteren, minstens zo behoudend moeten voetballen als in 1988 – de enige keer dat het een beker won. Zo niet behoudender. Had Oranje twintig jaar geleden nog de harde en tactisch slimme middenvelder Jan Wouters, plus daarachter de formidabele stopper Frank Rijkaard: nu is er niet één defensief type van een dergelijke klasse.

Volgens de wet van Michels moet Nederland haast wel overgaan tot een tactiek van verdedigen en ‘counteren’. Met Wesley Sneijder als flitsend scharnier op het middenveld zou Nederland de bal vanuit zijn druk bezette defensie snel en gewiekst kunnen verplaatsen naar de plek waar het nu juist wél over topklasse beschikt: de aanval. Want superieure voorwaartsen heeft Oranje haast in overvloed. Was ik een Franse of Italiaanse international, ik zou niet graag aandringen tegen een elftal dat in staat is in een handomdraai spelers als Robin van Persie, Ruud van Nistelrooy en Arjen Robben in stelling te brengen. Waarmee dan meteen de enige aanvallende spelers van Nederland genoemd zouden zijn.

Ook zou de bondscoach er goed aan doen een ander slimmigheidje van 1988 te herhalen: uitputtend oefenen op corners en vrije trappen. Gisteren bleek tegen Denemarken weer eens dat Oranje nauwelijks gevaar sticht in zulke situaties. Omgekeerd deed Denemarken dat wel tegenover Nederland. Hans van Breukelen, keeper in ’88, zat gisteren bij elke corner en vrije trap voor Denemarken met samengeknepen billen te kijken. Het is niet moeilijk, oefenen op de zogenaamde dode spelmomenten: kwestie van drillen, van elke dag opnieuw de vaste afspraken uitvoeren. Bondscoach Marco van Basten weet daar alles van, hij was er in 1988 zelf bij. En hoe. Als spits in een gouden team dat vijf van de acht goals scoorde via tegenaanvallen en dode spelmomenten.