De Scheringa’s overtuigen

Net nu de nieuwbouw is begonnen van een groot Scheringa Museum voor Realisme vertrekt directeur Emily Ansenk.

Er heerste nogal wat scepsis in de Nederlandse kunstwereld toen in februari 1997 het Scheringa Museum – toen nog Frisia Museum – zijn deuren opende. Ga maar na. Dirk Scheringa, begonnen als politieagent, nu bankier en eigenaar van voetbalclub AZ, was een van de vele rijke zakenlui die magisch-realistische schilderijen betrokken bij kunsthandel Loek Brons. Werk van Carel Willink en soortgenoten, voor zover nog te koop. Laagdrempelige schilderkunst, net een foto zo precies, maar met een verhaal dat wél ruimte laat aan de fantasie van de kijker. Scheringa verzamelde nog geen tien jaar en nu al begon hij een eigen museum – in de voormalige huishoudschool van Spanbroek, een dorpje bij Hoorn. Hoe serieus moest dat worden genomen?

Wie nu de moeite neemt er te gaan kijken – en in 2007 deden ruim vijftigduizend bezoekers dat – is al gauw gewonnen. Het gebouw is charmant, het lijkt nog erg op de school die het geweest is. Stenen trappen, dubbele deuren, een tegelvloer. Het ruikt er zelfs nog een beetje naar school. Achter de entreehal liggen elf museumzalen, waarvan er één nog altijd aan Willink is gewijd. Maar in de andere tien blijkt dat het Scheringa Museum een museum is voor figuratieve schilderkunst in de breedste zin.

Dat de particuliere verzameling in betrekkelijk korte tijd een indrukwekkende museale collectie is geworden, is behalve aan het geld en de goede wil van Scheringa vooral te danken aan het beleid van directrice Emily Ansenk (1970). Begin deze maand werd bekend dat zij het museum in september verlaat om Wim Pijbes op te volgen als directeur van de Kunsthal in Rotterdam. „Ik was niet op zoek naar een andere baan”, zegt ze, „maar een maand geleden vroeg Pijbes of ik wilde solliciteren en voor ik het wist was het zo ver.” Op haar achtendertigste is Ansenk toch al twaalf en een half jaar aan het Scheringa Museum verbonden: ze was net afgestudeerd in de kunstgeschiedenis toen ze directrice werd van een museum dat alleen op papier bestond.

„In het begin was er veel commentaar: dat het museum een speeltje van Scheringa zou zijn, een hobby. Als hij dan zo graag iets met zijn collectie wil doen, werd er gezegd, laat hij die dan aan een van de grote musea schenken. Meteen zo’n heel museum van zichzelf, dat kon niks worden. Maar ik vond het een heel leuk idee. ”

Vanaf het begin werkte Ansenk in Spanbroek aan wat Pijbes „een enorme horizonverbreding” noemde. Ze wist dat een verzameling Nederlands magisch realisme niet compleet was zonder werk van bijvoorbeeld Pyke Koch. Dat het bovendien goed zou zijn om zo’n groep te tonen in de bredere context van de twintigste-eeuwse figuratieve Nederlandse kunst, van Jan Mankes tot Marlene Dumas. En dat het – met een budget dat het toeliet – zelfs geen gek idee was om te laten zien wat er op hetzelfde gebied geschilderd werd in het buitenland. In de twee jaar geleden verschenen collectiecatalogus zijn dan ook dertien Kochs en vijftien Mankessen te vinden, naast bijvoorbeeld twee landschappen en een zelfportret van Giorgio de Chirico, een kruisafneming met skeletten van Paul Delvaux en een meesterlijk naakt van Lucian Freud.

Nog steeds groeit de collectie met gemiddeld twee werken per week. Het boek uit 2006 is volgens Ansenk alweer „compleet gedateerd”. De meest opvallende recente aanwinst op zaal is een levensgroot portret dat de Belgische schilder Gustave van de Woestijne in 1914 maakte van zijn collega Valerius de Saedeleer. Een scherp getekende, dikke Vlaamse kop tussen levendige grote kleurvlakken: een roze achtergrond, geschilderd in een soort plaveisel van verfstreken, een wit molton hemd en een broek die als een gloeiend zwarte Rorschachvlek tegen de lichte vloer afsteekt. Een mooi voorbeeld van een schilderij dat figuratief en abstract tegelijk is, en een heel ander verhaal dan Willinks fijnschilderkunst. Het ‘Frisia Museum voor magisch realisme’ is het ‘Scheringa Museum voor Realisme’ geworden.

Maar wat is dat precies, realisme? Magisch realisme is een afgebakend begrip, dat is het werk van schilders als Willink, Hynckes, Schuhmacher en Koch. Met hun figuratieve tijdgenoten erbij wordt het een grotere en meer gevarieerde groep, maar in de afgelopen halve eeuw is die groep toch al aardig uitgekristalliseerd. Denk dus aan Ket, Fernhout, Mankes, Charley Toorop.

Echt lastig wordt het als je het verzamelgebied uitbreidt met hedendaags realisme. Het aanbod is nauwelijks te overzien. Wat voor soort realisme wil het Scheringa Museum verzamelen?

Het is moeilijk een sluitende definitie te geven, zegt Ansenk. In elk geval hebben het echtpaar Scheringa en zijzelf een voorliefde voor portretten en stillevens, die je terugziet in de collectie. Het landschap is als genre ondervertegenwoordigd. Verder liggen de meeste aankopen nog steeds in de lijn van het scherpe, lineaire realisme van Scheringa’s voorkeur. „Co Westerik, Philip Akkerman en Pat Andrea passen daar beter in dan schilders als Robert Zandvliet of Jurriaan van Hall, die veel expressiever werken.”

Maar heel stringent zijn de criteria niet. Matthijs Röling, die in de jaren zestig uiterst precieze, Ket-achtige stillevens maakte, maar in de loop der jaren steeds losser ging schilderen, is in Spanbroek juist met dat late, grovere werk vertegenwoordigd.

Bij het verwerven van nieuw werk is de rol van de Scheringa’s nog altijd groot, niet alleen financieel, maar ook inhoudelijk. Emily Ansenk bezoekt ateliers vaak samen met het echtpaar en over alle aankopen wordt met hen overlegd. Toch is haar eigen smaak ook wel eens doorslaggevend geweest. „Er is hier nu werk van kunstenaars waar ik acht jaar geleden niet mee moest aankomen. Jean Rustin vonden ze echt afgrijselijk, maar die heb ik steeds opnieuw aangekaart en op een gegeven moment ging de knop om.” Inmiddels bezit het museum veertien schilderijen van de Fransman. De Amerikaanse schilder Alex Katz is ook een persoonlijke favoriet van Ansenk. „Van hem hebben we onlangs een heel groot dansgezelschap verworven, uit 1969. Dat doek is te groot om hier op te hangen. Het is op de groei gekocht, voor de nieuwbouw.”

De nieuwbouw: drie maanden geleden sloegen de Scheringa’s de eerste paal voor een nieuw museum aan de Breestraat in Opmeer, niet ver van de huidige locatie. Architect Herman Zeinstra ontwierp een Haags Gemeentemuseum-achtig gebouw met dertig daglichtzalen, waarin de verzameling, die de voormalige huishoudschool al jaren ontgroeid is, eindelijk in haar volle omvang kan worden getoond. Het ambitieuze project heeft de afgelopen jaren „waanzinnig veel energie gevergd”, aldus Ansenk. „ Ik weet zeker dat ik bij die opening, begin 2010, even een steen op mijn maag heb. Maar soms krijg je in het leven een kans waarvan je denkt: dit komt precies goed uit.”

Zo’n kans is het directeurschap van de Kunsthal, waar Ansenk een tentoonstellingsbeleid moet gaan voeren in plaats van een aankoopbeleid. Dat de Kunsthal geen budget voor aankopen heeft, voorkomt volgens haar frustratie. „Geen enkel Nederlands museum beschikt over zo’n groot en flexibel aankoopbudget als Scheringa. Dan is de keuze voor een museum zónder collectie eigenlijk een heel plezierige.”