De oudste moeder is een Australische vis

In Australië is een fossiel gevonden van een vis met een embryo aan een navelstreng.

Het is met afstand het oudst bekende levendbarende dier.

De Australische ontdekkers zelf noemen hun vondst ‘de oudste moeder ooit’. In het wetenschapsblad Nature beschreven ze gisteren het gefossiliseerde vrouwtje van een 380 miljoen jaar oude pantservis, die in haar buik een embryo draagt aan een haarfijne navelstreng. Het zachte materiaal versteende onder uitzonderlijke omstandigheden. De vis, een nieuwe soort, is met afstand het oudst bekende dier waarvan is aangetoond dat ze levende jongen baarde.

Australische paleontologen graven al tientallen jaren in de Gogo Rif Formatie in het noordwesten van het land. Ooit was dit een koraalrif voor de kust van het oercontinent Gondwana. De koraalsoorten bestaan echter allang niet meer, net als de meeste van de vissen die er zwommen.

De nu beschreven moedervis, Materpiscis attenboroughi gedoopt ter ere van natuurfilmer David Attenborough, hoort bij zo’n uitgestorven groep. Ze was, net als de meeste vissen in het Devoon (415 tot 360 miljoen jaar geleden), een pantservis: vooral haar kop was bedekt met benige platen. Pantservissen kwamen in het Devoon in alle soorten en maten voor, maar stierven aan het eind van het tijdperk uit.

Hoe de pantservissen zich evolutionair verhouden tot de haaien en roggen, die in het Devoon ook floreerden en waarvan de meerderheid ook levende jongen baart, is voer voor discussie onder biologen. Naast Materpiscis en haar jong, werden in het gebied twee verwante pantservissen (Austroptyctodus gardinderi) gevonden die eveneens embryo’s dragen. De Australiërs zelf oordelen dat het levend baren bij haaien en pantservissen onafhankelijk is ontwikkeld.

Afgezien van die discussie is het zeer bijzonder dat weefsels als een navelstreng, en de fragiele beenderen van het embryo bewaard zijn gebleven. De Gogo Formatie staat erom bekend – eerder werden er al het oudste spier- en zenuwweefsel opgegraven.

De navelstreng van Materpiscis is ongeveer een centimeter lang; de draaiing is te zien, evenals een kanaal voor een bloedvat. De onderzoekers, onder leiding van het Museum Victoria in Melbourne, beschrijven hoe ze het fossiel twee maanden lang in korte etappes in een azijnbad wasten om het kalksteen op te lossen. Toevallig merkten ze daarbij het skelet van het embryo op in de buikholte. Toen de Australiërs daarop nog eens naar hun bestaande fossielenvoorraad keken, ontdekten ze nog drie embryo’s bij de Austroptyctodus-vissen. De visjes kunnen geen ingeslikte soortgenoten zijn, betogen zij – anders waren de fijne botjes gebroken bij het happen.

Bekijk de animatie van de vis via nrcnext.nl/links