‘De monetaire unie was een puur politieke keuze’

De invoering van de euro is altijd verdedigd als een economisch noodzakelijke stap. Maar het was vooral een antwoord op het Franse verlangen naar meer invloed, zegt André Szász.

André Szász, oud-directeur van De Nederlandsche Bank: „Als de Economische en Monetaire Unie niet goed functioneert, dan zijn we allemaal verliezers.” Foto Jørgen Krielen © Jorgen Krielen / Amsterdam, 24-05-2008 / Prof. Dr. A. Sasz Krielen, Jorgen

Beduusd zaten enkele ministers aan de tafel van de Trêveszaal op het Binnenhof. Ze hadden net van de president van De Nederlandsche Bank gehoord hoe het ervoor stond met de invoering van de euro. Het trage tempo van de Duitse bondskanselier en de Franse president wekte groot onbehagen. Beseften de „politieke autoriteiten” wel waar ze mee bezig waren, vroeg minister-president Ruud Lubbers herhaaldelijk. „Ze hebben geen idee! Geen idee!” zei minister van Economische Zaken Koos Andriessen na afloop.

André Szász, die als directeur van De Nederlandsche Bank ook aan tafel zat, weet het nog goed. „Iedereen was verrast. Ze leken voor het eerst te beseffen wat voor een vaart de zaak had. Ze schrokken zich een hoedje”, zegt Szász (76) in zijn werkkamer in Amsterdam.

De bijeenkomst in de Trêveszaal, op 16 mei 1990, is geschiedenis. Zondag vieren de bankiers van de Europese Centrale Bank alweer het tienjarig bestaan. De meeste West-Europeanen zijn inmiddels gewend aan het gebruik van de euro. „Het is in zekere zin meegevallen”, zegt Szász, behalve oud-bankier ook emeritus hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was destijds nauw betrokken bij de voorbereiding van de Europese Economische en Monetaire Unie (1991). „De inflatie – hoger dan mocht, lager dan vroeger – is meegevallen. En we hebben tien jaar gehad om aan de situatie te wennen. Maar de periode van kalmte is onvoldoende benut. We moeten vooral niet denken: omdat het tien jaar zonder grote kleerscheuren is gelukt, gaat het ook verder probleemloos. Het is erg lichtzinnig dat te geloven.”

Waarom wilden we die euro eigenlijk?

„Het publiek is nooit goed uitgelegd waarom de euro moest worden ingevoerd en wat die beïnvloedt. De regering zei in officiële stukken dat zowel economische als politieke overwegingen een rol speelden. Maar als ze het moesten preciseren, dan viel de nadruk altijd op de economische redenen. Het was zo makkelijk voor bedrijven en mensen, je hoefde geen geld meer te wisselen als je op reis ging – in die trant. Ik wil niet ontkennen dat de euro een aantal ongemakken kon wegnemen. Maar daarvoor haal je niet zoveel overhoop. Het was duidelijk dat politieke redenen een doorslaggevende rol speelden. Dát was veel moeilijker uit te leggen.”

Wat waren die politieke redenen?

„Het was vooral een verlangen van de Fransen. Zij wilden monetaire medezeggenschap hebben. Vroeger dicteerde Duitsland de monetaire politiek met zijn sterke mark. Duitsland voerde een monetair beleid op grond van de situatie in Duitsland. De andere landen hadden de keuze tussen meteen volgen of later volgen. Maar volgen moesten ze.”

En de euro was de prijs die de Duitsers moesten betalen voor de hereniging – zij moesten hun sterke mark opgeven?

„Er werd al eerder gesproken over een gemeenschappelijke munt. Duitsland en Frankrijk waren er – na drie oorlogen tussen beide landen – eigenlijk allebei van overtuigd dat nauwe samenwerking tussen die twee voorwaarde was voor politieke stabiliteit in Europa. De Duitse eenwording heeft misschien wel een rol gespeeld bij de timing.”

Hoe dacht Nederland daarover?

„Wat mij opviel was dat het eigenlijke ‘waarom’ van die gemeenschappelijke munt in de gesprekken een geringe rol speelde. Iedereen wist dat dit een politieke zaak was, niet wij hadden het bedacht in Amsterdam of Den Haag, het kwam uit het Europese veld.”

André Szász pakt een boek, omdat hij graag iets wil voorlezen. „U mag raden van wie het is”, zegt hij: „Einde aan de vrijblijvendheid, einde aan het ongestraft niet naleven van regels. Nodig is een geloofwaardiger en meer verplichtende aanpak: afspraak is afspraak, criteria zijn criteria. Alleen een ondubbelzinnige keuze voor een sterk en federaal Europa met hervormde instituties kan een antwoord zijn op de vraagstukken die zich in het Europa van vandaag en morgen voordoen.”

De oud-bankier gniffelt als hij onthult van wie dit pro-Europese geluid afkomstig is: Jan Peter Balkenende in zijn boek Anders en beter uit 2002. Dat was nog vóór het Nederlandse ‘nee’ tegen de Europese Grondwet.

„De euro kwam er om politieke redenen”, zegt Szász. Maar politici hebben verzuimd te doen wat volgens Balkenende destijds moest gebeuren: bindende afspraken maken waardoor het goede functioneren van de monetaire unie op termijn gegarandeerd is.

Er zijn immers twee verschillende economische en monetaire visies in Europa. Noordelijke landen, waaronder Duitsland en Nederland, geven prioriteit aan prijsstabiliteit omdat dat op den duur de beste garantie is voor duurzame groei. Krijg je inflatie, dan kom je vroeg of laat in een spiraal van looneisen en meer inflatie.

Maar prijsstabiliteit vereist discipline bij het terugdringen van tekorten op de overheidsbegroting en vermindering van de staatsschuld. Zuidelijke landen, zoals Frankrijk en Italië, leven gemakkelijker met hoge schulden, hoge tekorten en hogere inflatie. Toen de Duitsers hun mark en de Nederlanders hun gulden opgaven, eisten ze dat alle landen zich zouden houden aan gemeenschappelijke begrotingsregels, het zogeheten Stabiliteits- en Groeipact.

Een van die regels is dat landen hun begrotingstekort niet verder mogen laten oplopen dan tot 3 procent van het bruto binnenlands product. „In de praktijk bleek echter dat Duitsland onder kanselier Schröder zelf deze regel jarenlang overtrad. Dan raak je moreel gezag kwijt.”

Waarom vinden Fransen inflatie minder erg dan Duitsers?

„Ze hebben er minder traumatische ervaringen mee gehad. De Duitsers hebben hun les geleerd tijdens de Weimarrepubliek in de jaren twintig van de vorige eeuw, toen ze een ongekende geldontwaarding meemaakten. Dat is diep in de nationale herinnering verankerd.

„Ik geloof dat je op den duur geen monetaire unie kunt hebben als de lidstaten ook niet verplichtingen op zich nemen voor het economische, het budgettaire beleid. Je moet manieren kunnen vinden om die verplichtingen af te dwingen als de lidstaten ze onverhoopt niet nakomen. Er bestaat nu weliswaar een hele procedure, met sancties. Maar het zijn de lidstaten zelf die daarover beslissen. Ze moeten elkaar controleren.

„Zelfs op het hoogtepunt van de studenteninspraak hebben we geen systeem gehad waarin de studenten zelf over hun tentamens beslisten.”

Zijn er winnaars en verliezers van het europroject?

„Het hangt er helemaal van af of je op korte of lange termijn kijkt. Als je ziet hoe de rente in Italië is gedaald, dan zou je zeggen: wat hebben ze toch geboft. Tegelijkertijd vraag je je af hoe het verder moet in Italië als de concurrentiepositie van dat land verder verslechtert en ze niet meer kunnen devalueren.

„Het grootste gevaar is dat de Europese Centrale Bank, die onafhankelijk is en voorrang geeft aan prijsstabiliteit, onder steeds grotere politieke druk komt te staan. De Franse president Sarkozy vindt dat de politiek meer invloed op het Europese monetaire beleid moet krijgen, ook Berlusconi is daar niet afkerig van. Als dat gebeurt, zullen ze niet de enige twee blijken te zijn. In zo’n situatie kan de euro een splijtzwam worden in plaats van een bindmiddel. Het uur van de waarheid komt in moeilijke tijden van stagflatie, waarin de economie stagneert en de inflatie oploopt. Daar koersen we nu op af.

„Er moet over Europa gepraat worden. Je kunt niet langer blijven zwijgen. Bij de nasleep van de referenda in Nederland en Frankrijk zaten de betrokkenen gebiologeerd als konijnen in de schijnwerpers. Maar op een gegeven moment moet dat afgelopen zijn. Dan moet je gaan praten over: hoe nu verder? Je moet je afvragen of het monetair stelsel zo vrijblijvend kan blijven. Als de Economische en Monetaire Unie niet goed functioneert, dan zijn we allemaal verliezers.”

Dit is het eerste deel van een tweeluik over tien jaar ECB.