Caesar is verdeeld in 9 stukken

Anno 2008 mogen we Caesar vooral terugzien in salades, strips en soaps; in vroeger eeuwen was hij een van de monolieten van de hoge cultuur. Een classica over het leven van Caesar na zijn dood.

Maria Wyke: Caesar,A Life in Western Culture. Granta, 288 blz. €34,- (geb.)

Gelukkig de auteurs wier boeken telkens weer actueel worden. In de eerste zin van Caesar, A Life in Western Culture schrijft Maria Wyke dat ‘Julius Caesar alle voorpagina’s haalde toen een perfect geconserveerde buste met zijn gelaatstrekken werd ontdekt.’ De Britse classica had het over de vondst van een marmeren kop in 2003, maar wie haar boek nu leest zal onmiddellijk denken aan de opschudding van twee weken geleden, toen bekend werd dat uit de Rhône bij Arles ‘het oudste portret van Caesar’ was opgedregd. Of het werkelijk de Romeinse dictator was, valt nog te bezien, maar het noemen van zijn naam was genoeg voor een media-blitz. Heel even was hij hotter dan Madonna of Indiana Jones.

‘Waarom is Julius Caesar de beroemdste aller Romeinen?’ vraagt Wyke zich aan het begin van haar bijzondere biografie af. Omdat hij iemand is wiens leven van begin af aan werd gefictionaliseerd. Op de vraag waarom juist deze Romein dan tot mythe gemaakt is, gaat Wyke niet al te diep in; het ultrakorte biografietje op de binnenflap zegt haars inziens waarschijnlijk genoeg: ‘Van een geboorte met de keizersnee, via zijn verovering van Gallië en de beslissende oversteek van de Rubicon, tot zijn liefdesaffaire met Cleopatra en de gedoemde Idus van maart…’ Wyke concentreert zich dan ook niet op het leven van Caesar, maar op de ‘weerklank van dat leven in de tijden die erop volgden.’

Die weerklank was enorm. Anno 2008 mogen we Caesar dan vooral terugzien in de populaire cultuur, van salades en gokhallen tot strips en soaps; in vroeger eeuwen was hij een van de monolieten van de hoge cultuur. Een voorbeeld voor strategen en despoten, een onderwerp voor gedichten (Petrarca’s Trionfi) en opera’s (Händels Giulio Cesare), een testcase in filosofische debatten over de toelaatbaarheid van tirannenmoord of de grenzen tussen veldheerschap en genocide. Caesar was larger than life, en werd dat al met zijn eigen Commentarii, waarin hij steevast over zichzelf in derde persoon enkelvoud schreef.

Maria Wyke’s boek is verdeeld in negen stukken, waarvan het eerste Caesar ‘from fame to fable’ beschrijft en de andere inzoomen op een markante gebeurtenissen – ‘staties’ zou je bijna zeggen – uit het leven van de in 100 voor Christus geboren veroveraar. Het begint al meteen interessant, met een analyse van de verhalen over Caesars gevangenschap op een piratenschip. De geschiedschrijvers Plutarchus en Valerius Maximus (1ste eeuw na Chr.) vertellen hoe de jonge Julius eerst de zeerovers een hoger losgeld voor hem liet vragen en tegelijkertijd aankondigde dat hij ze zou vernietigen – wat hij een paar maanden later inderdaad deed. Tot ver in de 19de eeuw gold dit als een exempel van daadkracht, verheerlijkt in kunst en literatuur. Daarna was het even weg uit het publieke domein, om aan het eind van de 20ste eeuw op een compleet andere manier weer terug te komen. In Steven Saylors detectiveroman The House of the Vestals (1999) wordt Caesars avontuur van heroïek ontdaan (‘het waren geen piraten, maar simpele vissers’) en is het een voorbeeld van mannetjesmakerij in de politiek. In de televisieserie Xena, Warrior Princess (1996) wordt het de inzet van een broeierige strijd tussen de seksen. En in de computergame Age of Empires: The Rise of Rome (1998) is de piratenepisode ontdaan van iedere ‘ethische of emotionele dimensie’.

Zo gaat Wyke telkens opnieuw door de geschiedenis. Caesars Gallische Oorlog (58-51 v. Chr.) is in de Oudheid en de Middeleeuwen nog het verhaal van een wonderbaarlijke en bewonderenswaardige veroveringstocht, maar wordt later – en vooral wanneer nationalistisch Frankrijk in de 19de eeuw zijn pre-Romeinse verleden ontdekt – een panorama van wreedheid en volkerenmoord waarvan de Asterixstrips van Goscinny en Uderzo een verre echo zijn. Zijn mars op Rome na de oversteek van de Rubicon (49) wordt door Mussolini misbruikt voor de fascistische zaak en daarna door moderne historici van ideologische betekenis ontdaan. Zijn liefde voor de Egyptische troonpretendent Cleopatra (48-47) wordt in de Middeleeuwen gezien als typisch voor een hoofse ridder, maar in later tijden als het zoveelste avontuurtje van een seksmachine.

Een van de mooiste hoofdstukken is ‘Assassination’, over de lessen die door de eeuwen heen zijn getrokken uit de moord op Caesar op de Idus, de 15de dag, van maart in het jaar 44. Wyke laat eerst zien hoe Shakespeare eind 16de eeuw op basis van twee biografieën van Plutarchus een toneelstuk schrijft dat dubbel geïnterpreteerd kan worden: als een waarschuwing tegen het vermoorden van een alleenheerser (want daarop volgt een burgeroorlog) of als een aansporing om je te ontdoen van een vorst die de vrijheid bedreigt. Julius Caesar groeide vervolgens uit tot een populair stuk in de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd (waarin iedere republikein zich als de edele Brutus zag), en werd daarom volgens Wyke van 1776 tot ver in de 19de eeuw niet meer opgevoerd in Engelse theaters. In de Amerikaanse Burgeroorlog zou de zuiderling John Wilkes Booth, afkomstig uit een acteursgeslacht, zich aan Shakespeares Brutus spiegelen bij zijn moord op president Lincoln.

Maar de actualiteit van Julius Caesar reikte veel verder. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog ensceneerde Orson Welles in een New Yorks theater een versie die afrekende met dictators als Mussolini en die bovendien een tweede slechterik introduceerde: het klootjesvolk dat met iedere sterke man meeloopt. En in 2005 zette een enscenering met de Hollywoodster Denzel Washington niet alleen vraagtekens bij de inval in Irak (mag een slechte dictator met geweld worden verdreven?), maar ook bij de imperial presidency van George W. Bush. Shakespeare zou geen bezwaar hebben gehad tegen dit soort rigoureuze interpretaties. Niet voor niets, zo stelt Wyke veranderde hij het historische aantal van 23 steekwonden in 33, ‘the same number of stab wounds as Christ.’

Het lijkt erop dat Maria Wyke hier de zaken door elkaar haalt: Jezus had maar vijf stigmata, hij kreeg 39 zweepslagen van Pilatus en hij werd 33 jaar. Maar dit komt waarschijnlijk omdat Wyke in haar laatste hoofdstuk ingaat op het vaak gelegde verband tussen Caesar en Christus. Die connectie dateert al uit de Middeleeuwen, toen de stichter van het Romeinse Rijk werd gezien als een kwartiermaker voor de verbreiding van het christendom. In de ogen van de dichter-filosoof Dante ‘plaveide Caesar zowel politiek als theologisch de weg voor Christus.’ Zes eeuwen later trok de historicus James Anthony Froude nog veel gedetailleerdere parallellen tussen Julius en Jezus, van het feit dat ze allebei van koninklijke ambities werden beschuldigd tot de tragedie dat ze verraden werden door iemand van wie ze hielden.

En zo kan het niet anders of Wyke eindigt haar boek met de even recente als geruchtmakende stelling van de Italiaanse taalkundige Francesco Carotta dat het leven van Jezus is gemodelleerd naar de biografieën van Caesar: dat het Evangelie van Marcus een corrupte hervertelling is van de Romeinse burgeroorlog – vanaf de oversteek over de Rubicon tot Caesars dood, begrafenis en vergoddelijking. Wyke laat de belachelijkheid van Carotta’s these mooi zien (door zijn argumenten alleen maar te citeren), maar verbindt er een mooie conclusie aan. Vroeger, schrijft ze, werden Caesar en Jezus met elkaar vergeleken om de opmars van de christelijke heilsleer of het droit divin te ondersteunen. Tegenwoordig worden de parallellen juist getrokken om de goddelijkheid en de historiciteit van Jezus te ondermijnen. ‘Caesar is niet langer de schaduw van Christus, maar Christus is de schaduw van Caesar.’