Afscheid met pijn in het hart

De aanstaande verhuizing van het Theater Instituut Nederland wordt met gemengde gevoelens bezien. „Er was hier nooit genoeg ruimte om eens echt goed uit te pakken met een tentoonstelling.”

De nieuwe tentoonstelling in het Theater Instituut Nederland (TIN) is tevens de allerlaatste. De deze week geopende uitstalling van decor- en kostuumontwerpen van Nicolaas Wijnberg blijft tot eind dit jaar te zien. Daarna, tijdens de kerstvakantie, verhuist het hele instituut van de statige Herengracht in Amsterdam naar een aanzienlijk minder voyant kantoorgebouw aan de Sarphatistraat waar het publiek alleen nog toegang heeft tot de mediatheek. Voor tentoonstellingen is daar geen ruimte meer.

‘Het Theater Instituut Nederland gaat op reis’, aldus het zonnige beeld dat tot dusver in de publiciteit is gebracht. De tentoonstellingen verschijnen de komende jaren her en der in het land. Maar dus niet meer volledig in eigen beheer, in een eigen gebouw. „Dat is spannend,” zegt TIN-medewerker Hans van der Veen, „maar het schept natuurlijk ook onzekerheid.” En hij is niet de enige die de aanstaande verhuizing met gemengde gevoelens beziet.

Menigeen vraagt zich af hoe het verder zal gaan. Met de zichtbaarheid van het instituut annex museum, en met de dienstverlening aan bezoekers die de archiefcollectie willen raadplegen. Want het moet straks bovendien met minder mensen.

In een kantoor onder de hanebalken van de vijf monumentale grachtenpanden – in classicistische stijl ontworpen door de zeventiende-eeuwse bouwmeester Philip Vingboons en Hendrik de Keyser – straalt directeur Henk Scholten echter louter optimisme uit. „We moeten deze plek niet heilig verklaren,” zegt hij. „We hebben hier nooit een groot publiek bereikt. Er kwamen 30.000 mensen per jaar. Dat kan veel beter. En het lijkt hier op het eerste gezicht prachtig, maar een adequate expositieruimte hebben we nooit gehad. Er was hier nooit genoeg ruimte om eens echt goed uit te pakken met een tentoonstelling.”

Scholten trad in januari 2007 bij het TIN in dienst. Toen hij zich na drie dagen liet rondleiden door de huismeester, trof hij een hoogst onoverzichtelijk stelsel aan van stijlkamers, kantoortjes, trappetjes op en trappetjes af waarmee de vijf panden nogal provisorisch aan elkaar waren gekoppeld. „Je kunt hier dagenlang in huis zijn zonder dat je iemand anders tegenkomt,” stelde hij vast. Maar nog bezwaarlijker vond de nieuwe directeur zijn tweede conclusie: de organisatie was even ‘verkokerd’ als de huisvesting: „Dit instituut is het resultaat van allerlei fusies die er in het verleden zijn geweest. Daardoor zijn er te veel aparte koninkrijkjes ontstaan. Na die eerste drie dagen wist ik het: als je er één instelling van wilt maken, kun je hier niet blijven. We moeten af van de hokjesgeest.”

De drie panden die het Theater Instituut zelf in eigendom had, werden voor 11 miljoen euro verkocht aan een vastgoedbedrijf dat nu een nieuwe koper zoekt. Van de andere twee panden werd de huur opgezegd. De opbrengst van de verkoop is, in overleg met het ministerie van WVC, apart gezet voor een toekomstige behuizing.

Scholten koestert plannen

voor een groot museum voor de podiumkunsten, inclusief de muziek, dat over zeven tot tien jaar wordt geopend. Daarover zijn al gesprekken gaande, vertelt hij: „Dat nieuwe museum is meer dan een fantasie. Ik durf er mijn hand niet voor in het vuur te steken dat het er komt, maar het is in elk geval een kansrijk idee.”

In de tussentijd hoopt het instituut zich te manifesteren met tentoonstellingen op andere locaties. De eerste wordt een expositie over de laatste twintig jaar opera in dit land, volgend voorjaar in museum De Fundatie in Zwolle – tegelijk met een operafestival in die stad. De tweede, over balletpionier Sonia Gaskell, staat in diezelfde periode in het Muziektheater in Amsterdam en gaat daarna op reis. Ook voor andere exposities bestaan vergevorderde plannen. „Nu in het wereldje bekend is wat we willen gaan doen, worden we van alle kanten benaderd,” verklaart Scholten. „Daarom ga ik ervan uit dat bijna alle tentoonstellingsideeën die hier in huis ontstaan, de komende jaren gerealiseerd kunnen worden.”

De werkvloer is iets afwachtender. De gedachte dat het TIN voortaan voor elke tentoonstelling eerst moet zoeken naar een locatie waar men welkom is, wekt niet bij iedereen even veel geestdrift. „Het is een mooi experiment om met het museum te gaan rondtrekken, op zoek naar een groter publiek,” constateert Hans van der Veen. „De huidige tentoonstellingsruimte geeft inderdaad grote beperkingen. Als we op andere plekken meer ruimte kunnen krijgen, kan ik daar wel enthousiast over worden. Maar je kunt je afvragen of het niet erg rigoureus is om op deze manier alle schepen achter je te verbranden.”

„De bedoeling van een reizend museum is dat onze zichtbaarheid en onze bekendheid groter moeten worden, zodat zo’n nieuw museum voor de podiumkunsten in de toekomst veel meer publiek gaat trekken,” zegt OR-voorzitter Nathalie Wevers. „We zullen er dus voor moeten zorgen dat wij ook herkenbaar zijn als de makers, de afzender, van die tentoonstellingen.”

Jaarlijks ontvangt het Theater Instituut Nederland een rijkssubsidie van 3 miljoen euro. Tot de taken behoren het conserveren en toegankelijk maken van de archiefcollecties (in subsidietaal: het erfgoed) en de dienstverlening aan het publiek en de theatersector. De laatste jaren was er echter een structureel tekort van drie ton. „De vaste lasten waren hoger dan die 3 miljoen,” verklaart Henk Scholten. „Dat kon dus niet langer.” Behalve de verhuizing ondergaat het TIN zodoende nog een extra aderlating. Van de vijftig huidige employés mogen er slechts 37 mee naar de Sarphatistraat. „We gaan dus óók nog door een rouwproces,” zegt Hans van der Veen.

Tot de dertien verdwijnende

collega’s behoren onder meer de foyermedewerkers en receptionisten, omdat er straks geen foyer en afzonderlijke receptie meer zijn. In de nieuwe behuizing staan de bezoekers meteen voor de balie van de mediatheek (boeken, knipsels, audio, video) die zodoende tevens als receptie fungeert. Er moeten echter ook diverse specialisten vertrekken. Een van hen zegt het somber in te zien: „Door de reorganisatie wordt heel wat kennis weggesneden.”

„In principe blijven we alle bestaande taken verrichten, al moeten we nog wel bedenken hoe dat dan zal gaan,” reageert Nathalie Wevers. Maar haar collega-OR-lid Hans van der Veen betwijfelt of het gaat lukken. „Ik zie niet in hoe je dezelfde hoeveelheid werk met zoveel mensen minder kunt doen,” zegt hij. „Het lijkt mij onvermijdelijk dat er taken gaan wegvallen.”

Een ander gevolg is dat veel archiefmateriaal dat nu nog aan de Herengracht ligt, eind dit jaar naar het TIN-depot in Amsterdam Zuid-Oost gaat. Wat tot dusver door geïnteresseerde bezoekers ter plekke kan worden geraadpleegd, moet straks een dag – of twee – van tevoren worden aangevraagd. „Dat wordt iets formeler,” beaamt Wevers met zichtbare tegenzin.

In het doolhof van gangen en kleine zalen op de benedenverdieping van de huidige behuizing komen erfgoed en dienstverlening nu samen in de Wijnberg-tentoonstelling. Wie daar dezer dagen gaat kijken, wordt op zijn minst door enige weemoed bevangen. Niet alleen door het werk van Nicolaas Wijnberg, maar ook door de locatie die er straks niet meer zal zijn.