Snel handelen, snel geld verdienen met voedsel

Wordt de wereldwijde voedselcrisis veroorzaakt door speculanten op de beurs? Deel 2 van een driedelige serie over de voedselcrisis: de markt.

Op de termijnbeurs van Chicago is hun aanwezigheid zo gewoon dat ze een bijnaam hebben gekregen: specs. Dat zijn de speculanten die volgens critici de beurs gebruiken om zonder scrupules de prijs van grondstoffen als tarwe, maïs, en sojabonen op te drijven – met honger onder de armste wereldburgers en voedselrellen in meer dan dertig landen als gevolg.

De specs behoren tot zo’n 4.000 à 5.000 handelaren die op hun beurt als bodies aangeduid worden. Deze groep mensen bepaalt vanaf de beursvloer de marktprijs van honderden gewassen van overal ter wereld.

De VN-voedselorganisatie FAO en de dertig landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voorspellen in een vandaag verschenen rapport dat de snelgestegen voedselprijzen weer licht zullen dalen maar daarna zullen stabiliseren op een structureel hoger niveau. Volgende week is er een FAO-conferentie over de voedselcrisis.

Niemand kan precies becijferen hoe groot de invloed van de speculanten op de voedselprijzen is. Maar dat weerhoudt beleidsmakers er niet van flink uit te halen naar beleggers, handelaren en eigenlijk iedereen die van doen heeft met de voedselprijzenmarkt. Zo vroeg het Europees Parlement vorige week om maatregelen tegen banken die hun cliënten laten speculeren op stijgende voedselprijzen.

Een maand eerder beschuldigden de Verenigde Naties de markt er al van bij te dragen aan de mondiale voedselcrisis. „Er is genoeg voedsel op de wereld”, zei Achim Steiner, hoofd van het VN-milieuprogramma, „maar de manier waarop markten en voorraden tegenwoordig worden beïnvloed door termijnmarkten, verstoort de toegang tot dat voedsel.”

Recente trends wijzen op een toegenomen invloed van speculanten op de hoge voedselprijzen. Allereerst is er een duidelijke verschuiving gaande binnen beleggingsportefeuilles. Sinds de kredietcrisis uitbrak en beurskoersen kelderden, zijn beleggers massaal weggevlucht uit de traditionele beleggingen als aandelen en obligaties. Met hun honderden miljarden euro’s zijn ze op zoek naar nieuwe mogelijkheden voor hoge rendementen en die vinden zij deels in de grondstoffenhandel. Ter vergelijking: begin 2006 was er voor 70 miljard dollar geïnvesteerd in de totale grondstoffenmarkt. In april 2008 was dat meer dan 235 miljard. Dat was te merken op de termijnbeurs in Chicago: het aantal aan- en verkopen van waardepapieren op basis van grondstoffen steeg het laatste jaar met bijna eenderde.

De verschuiving van de miljarden is terug te zien in de verhouding tussen de zogenoemde commercial- en non-commercial-contracten. Bij de eerste categorie zijn de beleggers vanouds verbonden aan de voedselmarkt. Zij sluiten termijncontracten (zogeheten futures) af met als doel om later voor een nu te bepalen prijs een bepaalde hoeveelheid maïs of rijst of cacao aan te schaffen. De ‘non-commercial’-beleggers, die groeien in aantal en invloed, zijn de speculanten. Zij stappen in termijncontracten, liften een eindje mee en stappen weer uit voordat het contract daadwerkelijk omgezet wordt in een leverantie van voedsel. Snel handelen, snel geld verdienen.

Vervolg Speculatie: pagina 16

Hoezo speculatie? Het komt allemaal door het weer

Het extra zetje omhoog dat de speculanten hiermee geven, komt bovenop de bekende factoren. De wereldbevolking wordt rijker en eet dus beter en meer. Oogsten vielen tegen. En de voorraden van gewassen bereiken dieptepunten – in Amerika is de tarwevoorraad op het laagste punt beland sinds de Tweede Wereldoorlog.

Een van die handelaren op de beursvloer in Chicago, Vic Lespinasse, beseft het heel goed: de markt waar al die factoren samenkomen, dat is híj. Ook al is handelaar Lespinasse met slechts 110.000 dollar (71.000 euro) aan tarweproducten in zijn bezit een kleintje op de beurs. Ondanks zijn beperkte schaalgrootte is zijn deskundigheid onomstreden. Lespinasses status in de wereldwijde graanmarkt heeft hij te danken aan zijn ervaring. Op zijn donkergroene jasje draagt hij met trots de door de beurs verstrekte badge: „Victor D. Lespinasse II. Honorary Member”.

In 1973 meldde het nu 62-jarige erelid zich hier bij de Board of Trade, zoals de beurs officieel heet. De Sovjet-Unie had dat jaar een slechte oogst en moest ongekende hoeveelheden Amerikaans graan aanschaffen. De voedselprijzen schoten omhoog, het effect was wereldwijd merkbaar en in Amerika staat de actie nog steeds bekend als the Great Grain Robbery, de grote graanroof. Lespinasse trok er de les uit dat er geld in graanhandel zat.

Ook nu weer oefenen de hoge voedselprijzen sterke aantrekkingskracht uit op andere beleggers, van groot tot klein. Banken ontwikkelen massaal op de consument toegesneden producten die meesurfen op de hausse in de voedselprijzen.

En dan is er nog de lagere dollar. Omdat veel grondstoffen in dollars worden verhandeld, is het voor buitenlandse partijen relatief goedkoop om grondstoffen in te kopen. Daardoor neemt de vraag toe, waardoor de prijs weer verder stijgt.

De vergelijking met begin jaren zeventig, de vorige hausse in voedselprijzen, wordt regelmatig getrokken. Ook nu is er dankzij tegenvallende oogsten een tekort aan landbouwproducten, stijgen de prijzen van de grondstoffen en kunnen miljoenen mensen zich de hoge kosten van levensonderhoud niet meer veroorloven. Dat leidt tot honger.

De situatie wordt ook wel vergeleken met het barsten van de internetzeepbel, aan het begin van dit decennium. Beleggers joegen toen de prijzen van aandelen in technologie- en telecom omhoog. Met de voedselprijzen gaat het dezelfde kant op. Het afgelopen jaar steeg de prijs van tarwe met 75 procent en werd maïs 59 procent duurder. „Zeker. Ook de prijzen van grondstoffen zijn een zeepbel”, zegt Lespinasse, die zich van de beurs ook mag uitgeven als graananalist. „Op sommige plekken zijn de eerste barsten zichtbaar.”

Ook het onderzoeksbureau van het Amerikaanse ministerie van Landbouw denkt wel dat – in theorie – speculatie in termijncontracten de prijzen kan opdrijven. Maar de werkelijkheid is genuanceerder, stelt het ministerie ook. Beleggers van buiten de sector zouden pas instappen als de prijzen al stijgen. Anders gezegd: speculanten zijn niet de systematische veroorzakers van prijsopdrijving waarvoor ze soms worden versleten.

Lespinasse vat het liever samen in beknopte beurstaal: „Hun invloed is minimaal. ‘Specs’ zijn volgers.” Waarom dan toch de verwijten van toonaangevende organisaties zoals de VN of het Amerikaanse Congres? „Die zoeken ook een eenvoudige zondebok. Aan het weer kan je niets doen, maar met de beschuldigende vinger naar speculanten wijzen is gemakkelijk.”

Daarmee belandt de handelaar bij wat volgens hem de voornaamste oorzaak is van de prijstoename. Want welke vraag je Lespinasse ook stelt over de voedselprijzen, zijn antwoord begint altijd met het weer. „Niets belangrijker dan dat.” Graanproducent Australië heeft door droogte twee jaren van tegenvallende oogsten achter de rug en India moest wegens slecht weer voor het eerst in zes jaar tarwe importeren. Dat dreef de prijs op.

De complexe macro-economische factoren zoals de Amerikaanse kredietcrisis, de economische neergang en de daarmee samenhangende zwakker wordende dollar dragen ook bij aan de stijgende voedselprijzen. Door de kredietcrisis, zo zegt ook Jeroen Blokland van Rabobanks onderzoeksbureau Iris, „is misschien veel liquiditeit verdwenen, maar ook heel veel geld verplaatst. De stijging van de grondstofprijzen is al een aantal jaren gaande, maar de laatste driekwart jaar zie je een versnelling. Beleggers trekken geld weg uit aandelen en komen naar de grondstoffen toe.”

Wie zijn dat eigenlijk, die speculanten? Lespinasse: „Wij allemaal. Niet alleen de boer die belegt om zich in te dekken tegen prijsschommelingen. Ik ben natuurlijk een speculant. Maar jij ook. En je buurman.” De financiële sector komt immers aan de animo van beleggers tegemoet door meer mandjes van financiële producten, mutual funds geheten, aan te bieden. Daarmee krijgen kleine particuliere beleggers, maar ook grote pensioenfondsen, eenvoudig toegang tot de grondstoffenhandel. Naar schatting is tussen 40 en 60 procent van de aankopen die rekenen op stijgende prijzen gedaan door de mandjes en speculanten. Onder meer het Nederlandse Robeco, de Belgische bank KBC en de Deutsche Bank bieden dergelijke fondsen aan.

Critici wijzen overigens op de internetzeepbel: toen werden ook allerlei mandjes met tech-aandelen opgetuigd op het moment dat de markt zo goed als op instorten stond. „Maar wat dan nog, als de prijzen een zeepbel zouden zijn?” zegt Lespinasse geagiteerd. „Als de prijzen in elkaar zouden zakken, wordt voedsel weer goedkoop.” En wie wil dat nou niet, bedoelt hij. „Krijgen speculanten er dan ook de schuld van als ieders honger weer is gestild?”

De woordvoerder van de beurs licht Lespinasses ergernis in zijn afwezigheid later nog even toe. „Het is ook wel een beetje beledigend, alle verwijten”, zegt ze. „Deze jongens doen gewoon hun werk.”

De structureel hogere vraag heeft er inmiddels voor gezorgd dat de mondiale voorraden nagenoeg tot nul zijn gereduceerd waardoor kleine schommelingen in vraag en aanbod tot enorme schommelingen in de prijs kunnen leiden. „En dan wordt het interessant voor speculanten”, zegt Martin Banse van het Landbouw Economisch Instituut, een onderzoeksgroep verbonden aan de Universiteit van Wageningen. „De nieuwe beleggers op de grondstoffenmarkt zijn dol op volatiliteit.”

Op de termijnbeurs in Chicago valt dezer dagen een verschijnsel waar te nemen waaruit de verstorende rol van speculanten op de werking van de markt duidelijk zou worden. Beleggers kunnen hun geld namelijk zowel steken in producten die direct leverbaar zijn (de zogeheten spotmarkt) als in termijncontracten op basis van exact dezelfde grondstoffen. De prijzen van de goederen op de spotmarkt liggen op dit moment lager dan van de goederen die in de toekomst voor een vooraf vastgesteld bedrag kunnen worden aangeschaft. Dat is een teken dat de markt verstoord wordt door externe factoren.

Mocht er inderdaad sprake zijn van marktverstoring, dan zou de Commodity Futures Trading Commission kunnen ingrijpen. Deze Amerikaanse toezichthouder constateert echter simpelweg geen vergrijpen, zegt juist dat de stijgende prijzen het bewijs zijn dat de grondstofmarkten goed functioneren. Eind vorige maand besloot de handelscommissie wel twee voorstellen op te schorten. Die voorstellen hadden de mogelijkheid van institutionele investeerders om geld te steken in de termijnmarkt moeten uitbreiden. Het besluit werd genomen „gezien de onzekerheid over speculatief geld”. De Board of Trade was altijd voorstander geweest van de voorstellen. Meer handel betekent immers meer inkomsten. Vicevoorzitter Charlie Carey van het moederbedrijf van de Chicago Board of Trade, de CME Group, zei eerder zich bij het moratorium neer te leggen. „We willen er niet van beschuldigd worden de situatie erger te maken.”

Daar is de termijnhandel ook helemaal niet voor nodig, stellen de OESO en de VN-voedselorganisatie FAO. De organisaties voorspellen dat de voedselprijzen nog tien jaar hoog zullen blijven, en overheden dus blijven kampen met voedselcrises. Handelaar Lespinasse interpreteert die conclusie als bewijs dat zijn grondstoffenbeurs niet de plek is waar kwade krachten zich verzamelen. Hij zegt: de beurs is geen marktpartij, maar registreert slechts wat er in de echte wereld gebeurt. En dan komt hij toch weer terug op het weer: „Als buiten de temperatuur stijgt, geef je daar de thermometer toch ook de schuld niet van?”

Dit is het tweede deel in een serie over de stijgende voedselprijzen. Deel 1 staat op nrc.nl/voedselprijzen