Ook jij kunt huilend op de televisie komen

Wat is er toch zo oneindig fascinerend aan de modellenwereld – of eigenlijk: aan het model willen worden. De commerciële zenders kunnen er geen genoeg van krijgen: America’s next topmodel, Hollands next topmodel, Model voor 1 dag, Abbey & Janice, een nieuwe serie met het vreselijke ex-topmodel Janice Dickinson, een magere, keiharde draak zonder ogen maar met heel veel tanden,en wat hebben we nog meer, ja hier: Make me a supermodel USA.

Je kunt zo natuurlijk wel een paar dingen verzinnen die er aantrekkelijk aan zijn: mooie meisjes (en soms, in Make me a supermodel, ook mooie jongens), competitie, wat mode en make-up. Zouden modellenwedstrijden het vrouwelijke antwoord zijn op voetbalwedstrijden?

Het moet wel, meer dan de lokkende toekomst als model, vooral de wedijver zijn die de kijkers aanlokt. Blijkbaar kijken we daar graag naar, de hele sport drijft er op en de televisie is al jaren bezig zo veel mogelijk alles in een wedstrijd te veranderen. Dat geeft een zekere spanning, ook aan buitengewoon on-spannende activiteiten als het openmaken van een koffertje (de opdracht waarvoor kandidaten zich in de postcodeloterij gesteld zien).

De modellenstrijd verloopt altijd volgens het vaste ‘kandidaten kunnen iets winnen door inspanning en kwaliteiten’-patroon: uit een enorm aanbod van mensen die musicalster willen worden, met presentatrice Froukje de Both willen trouwen of topmodel willen worden, wordt een klein aantal ‘geselecteerd’ door een ‘deskundige jury’ waarin iemand zit die bekend is van de televisie. De geselecteerden gaan in ‘het huis’, een of andere villa of een kasteel waar ze elkaar ‘beter kunnen leren kennen’, wat vaak neerkomt op ruzie maken, althans, dat wordt bij voorkeur uitgezonden. Tijdens het verblijf in het huis krijgen de kandidaten opdrachten en lessen, ook komen ze geregeld apart voor de camera commentaar leveren op het programma, zichzelf en de andere kandidaten.

Er zit aan het verblijf ook altijd een psycho-kant, kandidaten moeten ‘zichzelf tegenkomen’ en dat gebeurt ook: de tranen zijn niet van de lucht. Het hevigst is dat in de serie Dames in de dop, waar ik eerlijk gezegd wel graag naar kijk omdat het een wedstrijdversie van My fair lady is: van straatmeid, dat heet nu ‘feestbeest’, tot ‘dame’. Audrey Hepburn was aan het eind een heel wat geloofwaardiger dame dan de meisjes die deze ‘fantastische kans’ krijgen ooit zullen worden, maar daar staat tegenover dat de geselecteerde meiden de beginfase veel overtuigender vertolken.

De kansarme feestbeesten hebben vaak wel het een en ander in hun verleden waarmee de confrontatie niet makkelijk is, maar ook aanstaande modellen kunnen gemakkelijk in een snikkend hoopje narigheid veranderen onder enige druk – nu ja, wie niet. Groepsprocessen in afzondering zijn nu eenmaal onwaarschijnlijk krachtig. Zelfs als iedereen in dat apentaaltje praat waarin men zich op de commerciële televisie bij voorkeur uitdrukt: „Heb je wel eens tegen jezelf gezegd dat je er mag zijn?”, „Op zich word ik daar wel gestresst van.”

Vervolgens worden er mensen weggestuurd en ook dat gaat altijd op dezelfde manier: er worden met heel veel angstaanjagende stiltes ertussen wat namen genoemd van kandidaten die naar voren stappen en dan te horen krijgen: „Jullie kunnen nog steeds Evita worden!” of juist: „Jullie gaan naar huis”. De overgeblevenen vallen elkaar altijd om de hals, vaak ook weer snikkend, de weggestuurden houden zich meestal in eerste instantie groot en zeggen dat ze het heel fijn hebben gevonden om mee te doen – die zin zullen ze ook wel trainen in dat huis.

Ja, zo is het patroon (’t is wel saai dat het áltijd hetzelfde gaat) maar het raadsel van de aantrekkingskracht is er niet mee opgelost. Misschien hoort daar behalve ‘mooi’ en ‘wedstrijd’ ook nog de illusie bij dat ook jij een dame zou kunnen worden, een musicalster, een echtgenoot, een topmodel. Of, iets minder ambitieus: dat ook jij wekenlang op de televisie te zien zou kunnen zijn terwijl je opgesloten bent in een huis met een aantal gemene concurrenten.