ook in première

Leatherheads. Regie: George Clooney. Met: George Clooney, Renée Zellweger. ***

Na Good Night, and Good Luck. keert George Clooney als regisseur van Leatherheads opnieuw terug naar het Amerikaanse verleden. Maar daar houdt elke overeenkomst op. Leatherheads is niet zwart/wit, maar bruin en oker. Leatherheads is puur op de lach geschreven en gefilmd. En Leatherheads heeft niets maar dan ook niets te zeggen, of het moest zo’n algemene, obligate wijsheid zijn die in Hollywoodfilms worden gestopt als cadeautjes in een cornflakespak. Leatherheads is kortom een veel minder interessante film dan Good Night, and Good Luck.

Interessant was ditmaal duidelijk niet de bedoeling van Clooney. In de eerste twee scènes zet Clooney de decorstukken voor zijn film neer. Het is 1925 en je hebt twee soorten American football: de studentensport waar de frisgewassen oorlogsheld Carter (John Krasinski) de smetteloze grasmat domineert. En je hebt de professionals, een stelletje beesten dat in de modder probeert met vals spelen en gokken in zijn bestaan te voorzien. De professionals worden aangevoerd door Dodge (Clooney) en zij hebben hun langste tijd gehad: er komt nooit een hond naar ze kijken.

Die twee werelden worden vaardig, maar al te mechanisch dooreen geweven als Dodge Carter probeert te strikken voor een contract, niet wetende dat Carter een tijdbom meedraagt: zijn oorlogsverleden is misschien iets te mooi voorgesteld, dat is tenminste wat journaliste Lexie probeert uit te vinden. Daarbij laveert ze tussen haar gevoelens voor de oude en de jonge sporthelden door.

De intrige wordt aardig uitgewerkt, maar de hele film blijft steken op het niveau van vermaak. Leatherheads is een hommage aan het genre van de screwball comedy en Clooney heeft vooral geleend van Howard Hawks’ flitsende His Girl Friday (1940) en de al even matig gelukte poging tot screwball-retro van de gebroeders Coen, The Hudsucker Proxy (1994).

Clooney de acteur benadert hier zeer dicht zijn voorbeeld Cary Grant (His Girl Friday), zowel wat zijn aangename elegantie betreft als zijn voor het komische genre beperkte mimiek. En regisseur Clooney heeft beter laten zien. BB

All the Boys Love Mandy Lane. Regie: Jonathan Levine. Met: Amber Heard ***

Alle jongens en meisjes in All the Boys Love Mandy Lane denken maar aan één ding, seks. En Mandy Lane wordt daar behoorlijk gestoord van, vooral doordat zij van alle jongens het gedroomde doelwit van hun verlangen is. De eerste jongen die daar de rekening voor moet betalen, is een opschepper die dronken van het dak in het zwembad wil springen om indruk te maken op Mandy. Hij komt niet ver genoeg en belandt met gebroken schedel in het water. Die sprong is briljant gefilmd. Het shot lijkt te zijn gemaakt door de dronken ogen van Dylan en de duik duurt zo lang dat het eerder lijkt of hij een ballonnetje is dan een flinke scholier. Regisseur Jonathan Levine heeft zijn stijl goed doordacht. De kleuren zijn verzadigd als in de eerste jaren van de video en de camerabewegingen gaan nu eens extra snel, dan weer tergend langzaam, nu eens zwevend, dan weer met sprongen. Dat doet hij vooral in het begin. Want op zeker moment verkeert Mandy Lane in een horrorfilm, waarbij de scholieren op hun afgelegen plek een voor een worden vermoord – zoals we het in talloze horrors hebben gezien. Er is een mooie frappe aan het einde en dat zet de wel erg snelle onthulling van de dader in een ander licht. Het enige wat echt irriteert is de onnozele premisse dat jongens en meisjes werkelijk alleen maar aan seks denken en daar op de meest stupide en platte manieren over praten. Het hoort wel bij het genre, maar hier raak je een beetje het zicht kwijt op wie nu eigenlijk het meest ranzig is: Levine of zijn hoofdrolspelers. BB

De verloren kolonie. Regie: Astrid Bussink. Voor latere vertoningsdata: http://lostcolony.nl. ***

Het klinkt als sciencefiction: mensen met apen kruisen. Als het aan Sovjetdictator Jozef Stalin had gelegen was het al gebeurd: zijn eigen Planet of the Apes, een ras van superkrijgers. In het Abchazische Suchum Primate Centre maken ze er geen geheim van dat hun onderzoekpionier Ilya Ivanov inderdaad experimenten op dat gebied gedaan heeft. Een deel van de wetenschappelijke staf gelooft zelfs nog steeds dat het tot de mogelijkheden behoort: aapmensen.

Debuterend documentairemaakster Astrid Bussink las over het lab in de krant en reisde naar de voormalige Sovjetrepubliek. Ze trof een vervallen instituut aan, waar medewerkers van weleer proberen het centrum iets van z’n oude grandeur terug te geven. Dat alleen al is stof voor een tragikomische docu in een traditionele afwisseling van interviews, observaties en archiefmateriaal. Het feit dat het lab na de onafhankelijkheidsoorlog van Georgië begin jaren negentig al z’n apen kwijtraakte (sommigen geloven dat ze rondom Soechoemi nog leven) werkt ook als een betekenisvolle parallel met de leegloop van Georgië na de onafhankelijkheid van dat land. Bussink volgt de medewerkers die zich voorbereiden op een conferentie ter gelegenheid van het 80-jarige bestaan van het instituut, waarbij geschiedenis en traditie, feit en fictie, en vooral de parallellen tussen mens en dier voor een rumoerig-roerend einde zorgen. DL

Met medewerking van Bas Blokker en Dana Linssen