‘Ontwikkelingshulp is volslagen marginaal’

Het parlement maakt zich druk over de controle op ontwikkelingsgelden. Zinloos, vindt oud-diplomaat Van Dam.

Van Dam Foto Roel Rozenburg Den Haag:28.6.5 Hr. van Dam. © NRC Handelsblad, Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Het lijkt alsof hij een andere wereld instapt. ’s Ochtends de krant gelezen over de kolossale veranderingen van de opkomende landen in Azië en Latijns-Amerika. En dan ’s middags een vergadering in de Tweede Kamer waar over ontwikkelingssamenwerking wordt gesproken. Het gevoel zal vandaag – vanmiddag stond een commissievergadering op de agenda – niet anders zijn. „Daar worden nog precies dezelfde onderwerpen besproken als 25 jaar geleden. Nog altijd gaat het over doelgroepen, projecten, sectoren, criteria etcetera, etcetera. Alsof alle veranderingen zich buiten ontwikkelingssamenwerking voltrekken. Men mist de aansluiting met de realiteit totaal, maar dan ook totaal.”

Ofschoon reeds lang gepensioneerd, is hij nog altijd een bekende naam in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking. Of liever gezegd: een beruchte naam. Professor Ferdinand van Dam. Jarenlang was hij zelf werkzaam op het ministerie, later werd hij lid van het college van bewindvoerders van de Wereldbank, de laatste jaren tot aan zijn pensioen was de inmiddels 76-jarige Van Dam ambassadeur bij de OESO in Parijs.

Tegenwoordig is hij vooral criticus van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Een criticus zonder veel gehoor, want, zo is zijn stellige overtuiging, de Nederlandse ontwikkelingswereld zit barstensvol gevestigde belangen. „De belangengroepen hebben geen baat bij discussie”, zegt hij in zijn flat in de Haagse binnenstad. „Mijn woorden gaan als water langs vet. Maar ik ga rustig door. Elders zie je de discussie wel. De rede van de president van de Wereldbank vorig jaar oktober was heel interessant. We denken in Nederland altijd dat we gidsland zijn, maar dat zijn we nooit geweest. Dat is een totale zelfoverschatting. Je kan hooguit zeggen dat we het land zijn dat procentueel tot de belangrijkste hulpgevers ter wereld behoort. In de intellectuele gedachtenvorming over het vraagstuk van ontwikkelingssamenwerking is het tegendeel waar. Dat snijdt mij door de ziel .”

Waaruit blijkt dat missen van de aansluiting met de realiteit?

„Je ziet het aan de cijfers. Ontwikkelingshulp is volslagen marginaal van karakter geworden. Je moet tegenwoordig ook kijken naar handelspolitiek, kapitaalpolitiek, migratiepolitiek en niet naar dat bedragje dat wij geven. De hulp bedraagt gemiddeld nog maar 2 procent van de totale toestroom van middelen naar ontwikkelingslanden.”

Het is een soort hobbyisme geworden?

„Het is verschrikkelijk. Dan treedt er een nieuwe minister aan en die benoemt zes prioriteiten. Hoe is het in godsnaam mogelijk? In wat voor een denkwereld ben je dan verzeild? Je hebt dat marginale bedragje en dan denk je ook nog prioriteiten te kunnen gaan stellen die misschien helemaal niet passen in het beleid van die landen. Als je kijkt naar de landen in Azië of Latijns-Amerika die een aanzienlijke economische ontwikkeling doormaken, dan is dat niet gekomen door Nederlandse prioriteiten. Die hebben hierbij geen enkele rol gespeeld. Dat is allemaal illusiepolitiek geweest.”

En een nieuwe minister heeft geen verandering aangebracht in het denken?

„Nee, tot mijn verdriet is dat niet gebeurd. Koenders praat niet over deze dingen. Hij praat alleen maar over bilaterale ontwikkelingssamenwerking, terwijl we daar juist geleidelijk aan mee moeten stoppen.”

Maar er gaat toch al veel meer Nederlands ontwikkelingsgeld naar multilaterale organisaties?

„Nee, dat geloof ik niet. Minister Herfkens heeft indertijd geprobeerd het patroon te doorbreken , maar eigenlijk is dat nooit gelukt. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking moet zich veel meer met grote vraagstukken bemoeien en veel minder met individuele landen.”

Hoe belangrijk is een goede controle op de uitgaven?

„Controle is bijna niet mogelijk. Als een land zich ontwikkelt, komt dat door eigen besparingen die geïnvesteerd worden of door het aantrekken van geld van overzee. Het heeft deviezen nodig en verkoopt grondstoffen. Al die dingen bij elkaar zorgen voor ontwikkeling. Het is in zo’n proces nauwelijks mogelijk te bepalen in welke mate die ene euro hulp daar aan heeft bijgedragen. Je moet kijken of het proces zinvol verloopt, en of de arme groepen daar redelijk bij zijn betrokken.”

Toch suggereren de Nederlandse onderzoeken dat er wel zicht is op elke euro die wordt uitgegeven.

„Dat is schijn, dat kan gewoon niet. Ik heb wel eens zo’n bestedingsoverleg meegemaakt. Dan wordt er besproken dat zo’n land vissersboten wil. Dan zegt Nederland: dat is goed. Dan kan je na een tijdje je ambassadeur er heen sturen en dan liggen die bootjes daar. Maar als het echt van belang is voor het land hadden die bootjes er ook gelegen. Je kan dan jezelf aanpraten ‘ik heb het gecontroleerd, die boten zijn er’, maar die waren er anders ook geweest. Qua nuttigheid financieren we altijd het marginale project. Dat moet de minister durven uitleggen in de Kamer. Hij moet niet de pretentie hebben dat hij elke euro kan controleren.”