Jansons maakt Beethoven vurig

Klassiek Kon. Concertgebouworkest o.l.v. M. Jansons met Thomas Quasthoff. Gehoord: 28/5 Concertgebouw, A’dam. Herh.: 29/5, daar. Radio 4: 1/6, 14.15 uur.

Trompetten die in mierzoet duet de begeleidingsmelodie van het lied Ständchen op zich nemen – je vraagt je af hoe Schubert erbij gekeken zou hebben. En of bariton Thomas Quasthoff, die gisteren bij het Concertgebouworkest debuteerde in enkele voor orkest bewerkte liederen van Schubert, zelf niet liever een ‘gewoon’ recital met pianist zou hebben gegeven, zonder brave dubbelingen in de blazers van zíjn zanglijnen.

Het interessante aan de Schubert-orkestraties, overigens zeer verschillend ingevuld door Reger, Webern en Offenbach, is dat ze niet steeds alleen maar het bondig meesterschap van de originelen onderstrepen. De ballade Erlkönig werkt door haar epische aard als orkestlied wonderwel. Waar de piano het bezongen hoefgetrappel slechts kan suggereren, bootst Regers instrumentatie met celli en bassen de roffelklank van opstuivende aarde en doodshaast huiveringwekkend na. Ook het semi-recitativische Prometheus krijgt in Regers orkestratie iets opera-achtigs dat Schuberts essentie eerder uitvergroot dan verdoezelt.

De lyrische liederen overtuigden minder. Natuurlijk; Quasthoff maakt alles goed met zijn betoverend timbre, waarin kracht en kwetsbaarheid samengaan. Maar in Tränenregen (orkestratie: Webern) wrong zijn vrijheidsdrang met het orkest. Waar dirigent Jansons leek te streven naar de sfeer van een melancholiek symfonisch largo, wilde Quasthoff schetsen, vertellen – en dus in tempo variëren. Maar voor de sfeerverandering aan het slot, waar de begeerde molenaarsdochter („Adé, ich geh nach Haus.”) er opeens vandoor gaat, kreeg hij die vrijheid niet.

In Weberns eigen, hoogromantische Im Sommerwind – Straussiaans verzadigd van klank – en een vurige Vijfde symfonie van Beethoven waren Jansons en het orkest juist op hun best. Dat begon al bij het felle paukroffeltje waarmee de symfonie opent, en dat in het slotakkoord eveneens werd uitgelicht – een fraaie, cyclische benadering. Tussen die twee uitroeptekens realiseerden Jansons en orkest een tumultueuze Beethoven, die het bloed deed koken door de volmaakte afwerking, reliëfrijke dynamiek, de geoliede overgangen. Het wachten en hopen is op een Beethoven-cyclus met Jansons.