‘Het ‘nee’ leidde tot revolutie’

Econoom Marcel Canoy hekelt de houding van politici over Europa. De PvdA is bang en het CDA zwijgt, zegt hij. „Accepteer dat Europa er is en kijk hoe je het voor je doelen kunt gebruiken.”

Michèle de Waard

De eerste werkdag van Marcel Canoy in Brussel had grotere gevolgen voor Europa dan hij ooit kon bevroeden. Op de dag dat de Nederlandse econoom bij de denktank van voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie aantrad, zeiden in Nederland miljoenen kiezers ‘nee’ tegen Europa.

Drie jaar later stelt Canoy vast dat de Franse en Nederlandse afwijzing van de Europese Grondwet Europese politici uit hun ivoren toren heeft gehaald. De zorgen en ook het wantrouwen van de burgers heeft zelfs geleid tot een kleine revolutie in het denken. „Er heeft in Brussel een verschuiving van paradigma’s plaatsgevonden”, zegt Canoy - het Europese woordenboek wordt herschreven.

‘Patiëntenrechten’, ‘invloed voor ondernemingsraden’ en ‘solidariteit’ domineren de vocabulaire van Barroso. In juni zal hij de ‘sociale agenda’ van de Europese Commissie bekend maken. Dat zijn heel andere soundbites dan die van zijn voorganger, de Fransman Jacques Delors, die ruim twee decennia geleden met zijn witboek het startschot gaf voor ‘de interne markt’, ‘arbeidsflexibiliteit’ en ‘vrij verkeer van diensten’.

„Jarenlang huldigden politici in Brussel de ouderwetse opvatting dat uitsluitend economisch beleid groei teweeg brengt. Sociale politiek was een kwestie van ‘de scherven oprapen’. Dat is ingrijpend veranderd. Een modern sociaal beleid is een voorwaarde om economisch beter te presteren”, zegt Canoy (44). Hij is deze week begonnen als chief economist bij het internationale onderzoeksbureau Ecorys in Rotterdam. Hier komt zijn Europese kennis goed van pas want het bureau verricht vooral economische en maatschappelijke studies voor de overheid en de Europese Commissie.

Canoy staat bekend als een ‘angry young man’, een eigenzinnige econoom die weinig moet weten van zwart-witdenken - voor of tegen de markt, voor of tegen Europa. En hij geldt als een van de pioniers op het gebied van marktwerking, waarnaar hij als jonge econoom bij het Centraal Planbureau onderzoek verrichtte.

Merkte u in Brussel iets van die boze burger?

„Zeker, er kwam bijvoorbeeld een groep sceptische sociaal-democraten uit Nederland langs. Ze noemden tal van zaken die zogenaamd van ‘Europa’ niet mogen. Het model van de woningcorporaties, gratis schoolboeken. Met hen ben ik in debat gegaan, niet om ze te bekeren, maar om de misverstanden weg te nemen. Er mag veel van Brussel, maar zodra publieke organisaties zich als een bedrijf gaan gedragen, gelden er in Europa spelregels. En boeken boven een bepaald bedrag moeten worden aanbesteed. Elke ambtenaar hoort dat te weten. De onbekendheid met de regels zegt wel iets over hoe Nederland met Brussel omgaat.”

Is de opstelling van Nederland ten aanzien van Europa de afgelopen jaren verbeterd?

„Langzaamaan wel iets. Het is in ieder geval winst dat het parlement binnenkort stemt over het nieuwe verdrag en men besloten heeft het verdrag niet opnieuw in een referendum voor te leggen. Maar de teneur is nog steeds bij iedereen in de politiek: mag het een onsje minder zijn. Ze zeggen vooral wat ze niet willen, niet wat ze wel willen. De grote thema’s worden niet bepaald door wat de politiek met Europa wil. De PvdA is bang voor de SP en het CDA zwijgt. Die houding verlamt iedere discussie. Politici worden nog steeds gedreven door angst.

„Maar zwijgen is niet de manier om verder te komen en om burgers meer bij Europese kwesties te betrekken. Je hebt het wel over een instelling die invloed heeft op het dagelijks leven van mensen. Door te zwijgen gaan ze in de toekomst weer last krijgen. Jongeren weten gelukkig heel goed wat ze aan Europa hebben. Dat bleek me tijdens de ‘back to school’ bijeenkomsten waar ambtenaren van de Europese Commissie naar hun school teruggingen. Voor de meeste jongeren is Europa vanzelfsprekend. Of je het had over zorg, onderwijs of het klimaat - scholieren zagen snel wat de rol van Europa was.”

Barroso probeert Europa een socialer gezicht te geven, maar juist sociaal beleid is nationale politiek.

„Het is wel symptomatisch dat ik me als econoom gespecialiseerd in mededinging in de denktank van Barroso juist veel met sociaal beleid heb beziggehouden. Maar economisch en sociaal beleid beïnvloeden elkaar natuurlijk steeds. Bovendien kampen alle landen in Europa met nagenoeg dezelfde problemen. De vergrijzing bijvoorbeeld zet de sociale modellen onder druk, dus het is handig als over zulke thema’s ook op Europees niveau wordt nagedacht. Het ‘flexicurity’-model, waarbij flexibiliteit op de arbeidsmarkt wordt gecombineerd met financiële en scholingszekerheid voor de werknemers, is een typisch voorbeeld. Voor verschillende landen heeft de Europese Commissie ideeën laten uitwerken en wat zie je? In Frankrijk heeft het begrip ‘flexisécurité’ inmiddels een debat in gang gezet over sociaal-economische hervormingen. Sociale partners sluiten arbeidscontracten af die meer flexibiliteit en ook meer bescherming voor ontslagen werknemers biedt. Brussel legt niets op maar kan op deze manier wel aansporen tot discussie.”

De grote problemen zijn mondiale problemen. Schieten Europese oplossingen tekort?

„De schaal van Europa kun je juist gebruiken. Dat geldt voor onderwerpen als het klimaat, het terugdringen van CO2, het veiligstellen van energie, stijgende migratie. Europa legt meer gewicht in de schaal dan 27 individuele staten. Het is bijvoorbeeld voor Luxemburg lastig onderhandelen met Poetin en voor Poetin lastig zakendoen met 27 Europese staten. Landen zijn er nu nog niet aan toe, maar een Europees energiebeleid is op den duur onontkoombaar. Nationale belangen zullen dit afdwingen om verzekerd te zijn van energie in de toekomst. De keus is niet: Europa of de nationale staat. Accepteer dat Europa er is en kijk hoe je het voor je doelen kunt gebruiken.”