God en Satan kunnen niet zonder elkaar

‘Verslaafd aan de voetnoten’ – dit stond in grote letters boven een artikel in de Boekenbijlage van 23 mei. Nu, zo erg is het niet met mij, maar ik sla de voetnoten in boeken nooit over. Je komt er allerlei wetenswaardigheden in tegen.

Zo vond ik enige jaren geleden in een scriptie, die overigens boven mijn pet ging, een voetnoot over de Amerikaanse wiskundige Norbert Wiener, die in zijn jeugd in Duitsland studeerde. Daar meldt hij zich bij de mathematicus Felix Klein. „Toen de huishoudster de deur opendeed, vroeg ik in mijn beste Duits: ‘Ist der Herr Professor zu Hause?’ Zij antwoordde op berispende toon: ‘Der Herr Geheimrat ist zu Hause’, mij aldus corrigerende, omdat ik hem met de lagere titel van professor had aangesproken.”

Minder anekdotisch is de voetnoot die ik vond in het onlangs bij Mets & Schilt verschenen boekje – de auteur zelf noemt het een essay – van Godfried van Benthem van den Bergh: Naar een nucleaire wereldorde. Zij drukt een interessante gedachte uit, die, hoewel misschien niet helemaal origineel, toch menigeen zal schokken: „Monotheïstische geloofsvoorstellingen kunnen schadelijk zijn voor de wereldpolitiek. Een almachtige, enige God kan het niet zonder een tegenpool, die volgens de eigen leer verantwoordelijk gesteld kan worden voor wat als ‘kwaad’ wordt bestempeld – en wordt verzelfstandigd in bepaalde staten, minderheidsgroepen of individuen.”

Inderdaad, het ‘goede’ vraagt om, ja kan niet zonder, een tegenpool, het ‘kwade’. Als alles en iedereen goed is, heeft het ‘goede’ geen zin. In een moreel luchtledig onderscheidt het zich niet. Zo heeft ook God Satan nodig, zoals Ormoezd een Ahriman nodig heeft om zich te kunnen manifesteren.

Of in deze wederzijdse afhankelijkheid van elkaar vijandige beginselen de oorzaak van het verschijnsel oorlog gezocht moet worden, blijve in het midden. Maar zeker is dat het anders-zijn een voorwaarde is voor een identiteit. Immers, iets of iemand is zoals het (hij/zij) is omdat het (hij/zij) anders is dan iets anders (of anderen). Het heeft geen zin een identiteit te proberen te definiëren zonder een andere erbij te halen. Een Nederlander is een niet-Duitser, een niet-Belg enzovoort.

Of hierin de kiem ligt van internationale conflicten is, nogmaals, niet zeker, maar dat een samenleving zonder conflict „een verdichtsel van de verbeelding” is, heeft de Poolse filosoof Leszek Kolakowski al gezegd. Trouwens de psycholoog G.C. Jung zei vóór hem: „Er is geen bewustheid zonder onderscheiding van tegenstellingen. Want niets kan zijn zonder het andere. De opwekking van conflict is een luciferische deugd in de eigenlijke zin van het woord: conflict brengt het vuur van affecties en emoties voort, en zoals elk vuur heeft ook dit weer twee aspecten: dat van de verbranding en dat van de verlichting.”

Deze „in iedere bepaaldheid opgesloten negatie-van-anders-zijn” herkent de volkenrechtsgeleerde en hegeliaan B.M. Telders in zijn dissertatie uit 1927 ook in de internationale samenleving: „Iedere staat is bepáálde, d.i. begrensde staat, sluit andere van zich uit. Iedere staat is derhalve ontkenning van andere staten.” Zolang de Europese Unie een ‘unie van staten’ (zoals L.J. Brinkhorst haar onlangs noemde) blijft, voorspelt dit niet veel goeds voor de politieke eenheid van Europa.

Of dit verschijnsel zich alleen maar voordoet in streken die een monotheïstische geloofsvoorstelling aanhangen, is overigens nog de vraag. Ook in polytheïstische samenlevingen woedden oorlogen. Zelfs de beschaafde Atheners joegen de mannelijke bevolking van het eiland Melos over de kling en verkochten de vrouwen en kinderen als slaven.

Van Benthem van den Bergh plaatst zijn voetnoot, die mij deze bespiegelingen ingaf, naar aanleiding van de vooral in Amerika bestaande neiging in de tegenstander de manifestatie van het ‘kwade’ te zien. Denk aan Reagans ‘evil empire’ en Bush' ‘axis of evil’, die hun spiegelbeeld vinden in Irans benoeming van Amerika als de ‘Grote Satan’.

Inderdaad zijn deze visies niet bevorderlijk voor de wereldvrede. Onlangs nog heeft Bush het praten met Iran gelijkgesteld met appeasement. Onzin, Chamberlains fout in 1938 was niet dat hij met Hitler sprak, maar dat hij hem op zijn woord geloofde en zijn eisen inwilligde. Praten op zichzelf is nog geen appeasement.

Trouwens, Bush is, wat dit betreft, niet consequent, want hij praat wél met Noord-Korea, dat hij ook onder de ‘axis of evil’ rangschikte. Reagan was zo wijs met Gorbatsjov te gaan praten en droeg zo bij tot het einde van de Koude Oorlog.

Ook de aartsrealist Kissinger voelt – het is niet verrassend – niet voor de toepassing van ideologische criteria. In een recent interview vraagt hij: „Verdelen wij de wereld in democratieën en niet-democratieën of moet er een andere benadering zijn, afgestemd op regionale en historische omstandigheden?” Zijn voorkeur gaat kennelijk uit naar het tweede.

Daarmee veroordeelt hij stilzwijgend het idee van de Republikeinse kandidaat McCain om een ‘verbond van democratieën’ op te richten. Ook het – wél verrassende – idee dat oud-minister Bot vorige week lanceerde om de Europese Unie nog verder uit te breiden, omdat zij „een gemeenschap van waarden en normen is en niet in de eerste plaats een geografisch min of meer duidelijk afgebakend continent”?

Terugkerend naar Van Benthem van den Berghs voetnoot: tegenstellingen, zelfs conflicten hoeven niet op oorlog uit te lopen, maar als zij ook nog eens belast worden met tegenstellingen tussen goed en kwaad, wordt het moeilijk. Anders gezegd: „Alle Menschen werden Brüder” (het Europese volkslied) is de ontkenning van een werkelijkheid, tenzij wij denken aan het archetypische broederpaar Kaïn en Abel. Al te vaak is het: „Und willst du nicht mein Bruder sein, so schlag ich dir den Schädel ein.”

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de onlinediscussie op nrc.nl/heldring