`Geluk is voor aardige mensen, slechteriken hebben vaak pech`

Rotterdam. Ongeluk daalt neer op slechte mensen, die niet snel iets aardigs doen. Mensen die persoonlijk iets met pechvogels te maken hebben - familieleden, vrienden, clubgenoten - zijn meestal net zo vervelend. Mensen die geluk hebben zijn vaak wél aardig. Dat is hoe kinderen denken, vanaf ongeveer hun derde tot zeker hun twaalfde jaar, rijk of arm, Amerikaans of Japans. Amerikaanse psychologen, onder andere van Harvard, tonen het aan in een serie onderzoeken met verhaaltjes, die aan de peuters, kleuters en bijna-pubers werden gepresenteerd als `spelletjes` (Journal of Personality and Social Psychology, mei 2008). Naarmate de kinderen ouder werden, werd de neiging om anderen met pech te veroordelen eerder iets sterker dan zwakker. Het geloof in immanent justice maakt plaats voor een even onredelijk, maar veel minder bewust geloof in een just world: ook volwassenen denken vaak dat armen, daklozen of slachtoffers van verkrachting `het er wel naar gemaakt zullen hebben`.