Enkele eeuwen maritieme bedrijvigheid in Rotterdam

Tentoonstelling: Macht en glorie. Scheepvaart in de Gouden Eeuw. Maritiem museum Rotterdam, t/m 8 maart 2009

„Eerst het zuur, dan het zoet.” Zo probeerde premier Balkenende een paar jaar geleden de moed erin te houden bij het brengen van offers die zouden moeten leiden tot economisch herstel. Het is moeilijk voor te stellen dat die uitspraak gebezigd zou worden in de Gouden Eeuw: de smaak van de welvaart in die periode was immers vooral zout. De nauwe relatie tussen allerlei aspecten van de scheepvaart en de ongekende voorspoed van het 17de-eeuwse Holland, staat centraal in de tentoonstelling Macht en glorie in het Maritiem Museum in Rotterdam. De schilderijen en prenten, historische scheepsmodellen en gebruiksvoorwerpen komen uit het eigen depot en dat van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum.

De Hollandse economie dreef voor een belangrijk deel op overzeese handel in alle windrichtingen. De commerciële wapenfeiten in de 17de en 18de eeuw van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) worden uiteraard breed uitgemeten. De tentoonstelling laat die niet alleen zien aan de hand van oude zeekaarten en getekende kustgezichten, maar belicht ook de particuliere kant van de zaak. Zo zijn er twee zeldzame 18de-eeuwse beeldjes van beschilderde klei. Ze zijn in China gemaakt door lokale kunstenaars en portretteren twee VOC-schippers. Eén van hen staat er parmantig bij, in zijn zondagse blauwe pak met kniebroek, de degen op de heup en de steek onder de arm. In schril contrast daarmee staat de ‘victualielijst’ van een van de WIC-schepen die onvoorstelbare hoeveelheden op elkaar gepakte Afrikaanse gevangen naar Amerika vervoerde. Onder de ingeslagen levensmiddelen zijn vlees, spek, stokvis en boter en – voor de slaven – niets dan zakken gort en bonen.

Naast de handel vormde de visvangst een belangrijke pijler van de welvaart. Op walvissen werd gejaagd in, blijkens een maquette uit 1690, verrassend kleine schepen. Ook de getoonde harpoenen, steekwapens met weerhaken van niet veel meer dan zo’n twee meter lang, moeten, voor het vangen van zulke grote dieren, hebben gelegen in de hand van onverschrokken vissers. In economisch opzicht belangrijker was de haringvangst, die met al haar nevenbedrijven als scheepswerven, zeilmakerijen en kuiperijen, garant stond voor een grote bedrijvigheid in de Hollandse steden. De manier waarop die wordt getoond aan de hand van 17de-eeuwse schilderijen van een werf en een ankersmederij, is kenmerkend voor de expositie. Tamelijk willekeurig bijeengebrachte kunstwerken vormen er in de eerste plaats illustraties van het verhaal over het waterland Holland.

Toch zijn er ook werken te zien die meer dan alleen een documenterende waarde hebben. Van Hans Savery de oude bijvoorbeeld, is er een fraai, in zilvergrijze tinten geschilderd stuk (ca. 1600) met Amsterdamse schepen op een woeste zee. Monstrueuze vissen zwemmen tussen de zeilschepen die op de representatieve spiegel aan de achterzijde zijn gezien. Het werk wordt beschouwd als een van de oudste ‘marines’ – voorstellingen die geheel zijn gewijd aan de scheepvaart. Een ander topstuk van de expositie is een spectaculair schilderij uit 1622 van de Haarlemse specialist op het gebied van zeestukken, Cornelis Claesz van Wieringen. Het stelt de Zeeslag bij Gibraltar voor, waarbij de Nederlandse vloot op 25 april 1607 een klinkende overwinning behaalde op de Spanjaarden.

Bram de Klerck