Clusterbom is nog lang de wereld niet uit

Nieuwsanalyse

Zolang de grote gebruikers van clusterbommen niet meedoen aan het verbod op de wapens, is het belang ervan beperkt.

De clusterbommen zijn nog lang de wereld niet uit. Weliswaar zijn meer dan honderd landen het gisteren in Dublin eens geworden over een verbod op productie en gebruik van deze omstreden wapens. Maar de betekenis van dat akkoord, en van het verdrag dat er eind dit jaar op moet volgen, zal afhangen van de politieke en morele druk die ervan zal uitgaan op landen die niet mee doen.

Het verbod bepaalt dat binnen acht jaar alle voorraden clustermunitie (explosieven waarin zich honderden kleine bommetjes bevinden, die zich over een tientallen meters kunnen verspreiden) vernietigd moeten zijn. Maar zonder de Verenigde Staten, Rusland, China, Israël, India, Pakistan en Brazilië heeft zo’n afspraak op zichzelf weinig invloed op de omvang van de grote arsenalen in de wereld.

De activisten en diplomaten die voor een verbod ijveren zijn daarvan doordrongen. Ze hopen echter dat een verdrag ertoe zal leiden dat het gebruik van clusterbommen taboe wordt, ook voor de landen die nu weigeren zich aan te sluiten bij het verdrag. Het voorbeeld daarbij is het verdrag tegen landmijnen (de Ottawa Conventie) uit 1997. Ook daarbij bleven onder meer de VS, Rusland en China aan de zijlijn. Maar het gebruik van landmijnen zou sindsdien toch sterk zijn afgenomen.

Voor de VS is het een tegenslag dat hun belangrijkste bondgenoot, het Verenigd Koninkrijk, zich na aanvankelijk verzet gisteren toch aansloot bij het verbod op clusterbommen. Washington stelt dat de Amerikaanse strijdkrachten niet buiten de wapens kunnen, onder meer om oprukkende legers tot staan te brengen. Bij de invasie van Irak, in 2003, zouden ze voor het laatst gebruik hebben gemaakt van clusterbommen (die afgeworpen kunnen worden uit vliegtuigen en helikopters, maar ook vanaf de grond kunnen worden afgevuurd). In Afghanistan worden ze niet gebruikt.

Technologische verbeteringen nemen volgens het Pentagon één van de grote bezwaren tegen de wapens weg: namelijk dat de kleine bommetjes die uit de openbarstende bom tevoorschijn komen, vaak niet meteen exploderen als ze op de grond terechtkomen. Nog jaren later vormen de kleine en dus vaak moeilijk te vinden bommetjes daardoor een groot gevaar, onder meer voor kinderen die ze niets vermoedend oppakken.

Bij nieuwe types zou onmiddellijke ontploffing vrijwel gegarandeerd zijn, terwijl niet ontplofte munitie zichzelf snel onschadelijk zou maken.

De Amerikaanse regering hoopte haar bondgenoten af te houden van instemming met een verbod, door te wijzen op de moeilijkheden die eruit zouden voortvloeien voor samenwerking bij militaire missies tussen landen die het verdrag ondertekenen en landen die wél clusterbommen gebruiken of in voorraad hebben. Hoe dit probleem wordt opgelost in het verdrag, was vanmorgen nog niet duidelijk.

Nederland wilde aanvankelijk minder ver gaan. Volgens minister Van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie) zou een pleidooi voor een algemeen verbod op het gebruik van clustermunitie averechts werken, omdat landen als de Verenigde Staten, Rusland en Israël dan zouden afhaken. De meerderheid van de Tweede Kamer had om een verbod gevraagd. „Ik heb liever een verdrag dat niet helemaal ideaal is, dan helemaal geen verdrag”, aldus Van Middelkoop vorige week nog in de Tweede Kamer. Maar gisteren sloot hij zich toch aan bij de voorstanders van een algemeen verbod. Kamerlid Boekestijn (VVD) spreekt van een „afschuwelijk staaltje politiek correct denken”, omdat er situaties zijn waarin de bommen levens kunnen redden. Nederland heeft clustermunitie voor het laatst gebruikt in 1999 in Kosovo.