Afgewezen

Bij een kleine uitgever (Voetnoot) verscheen een klein boekje dat gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien. Dat zou jammer zijn, want het is een van de mooiste kleine boekjes die ik ken. Het heet Commentaar en is geschreven door de Française Marcelle Sauvageot, die van 1900 tot 1934 leefde.

Martin de Haan vertaalde dit boekje, dat in 1933 onder de titel Commentaire verscheen. Het leidde tientallen jaren een ook in Frankrijk vergeten bestaan, totdat het een nieuwe titel, Laissez-moi, en een nieuw jasje kreeg en alsnog een bestseller werd.

Sauvageot was geen professionele schrijver, Commentaar is haar enige boek. Dat blijft je als lezer verbazen en intrigeren, omdat het zo knap geschreven is: helder en bondig met een pen die, gedoopt in boze ironie, onbarmhartig kan toeslaan. Het had een boek van Renate Rubinstein kunnen zijn, de Renate die haar teleurstellingen in de liefde zo indringend beschreef.

Commentaar is, net als Niets te verliezen en toch bang van Rubinstein, een autobiografische afrekening met een geliefde. Een uiterste subjectieve en misschien zeer onrechtvaardige afrekening, maar dat is voor de literatuur niet van belang. Het gaat erom of je als lezer Sauvageot kunt volgen in haar radeloosheid als afgewezene – en dat kun je dankzij haar kwaliteiten als schrijver.

Als Commentaar begint, op 7 november 1930, zit Sauvageot in de trein naar de kliniek, waar zij voor een longziekte behandeld wordt. Zij heeft een onaangenaam gesprek met haar vriend, die nog een andere vriendin heeft, achter de rug. Maar ze hoopt nog wel op zijn liefde. „Ik heb die liefde nodig: ik wil haar terugvinden als ik genezen terugkeer.”

In haar hart weet ze wel beter. „Zijn liefde klinkt niet meer in mijn oren, omhult me niet meer.” De bijl valt ruim een maand later als hij haar schrijft: „Ik ga trouwen… Onze vriendschap blijft bestaan…”

Ze gelooft er niet in en prikt door zijn verhullende woorden heen: „Het lag voor de hand dat u zou beginnen over uw ‘vriendschap’ en de grotere zuiverheid ervan, omdat ze vrij is van verlangens, jaloezie, verwachtingen. Je moet iets geven; en dan denk je aan vriendschap, ‘die edele zuster van de liefde’, biedt die aan en probeert te laten zien hoeveel beter ze is dan de liefde die je voorheen gaf en nu aan een ander geeft.”

Ze analyseert de houding van haar vriend tegenover haar, waarbij ze zijn zwakheden probeert te ontzien („Niets levert een sterkere band op dan zwakheden en gebreken; daarlangs dring je door tot de ziel van de persoon die je liefhebt (…)” , maar uiteindelijk moet ze zichzelf bekennen dat hij al langer niet meer de man was van wie ze gehouden had. „Ventje was dood en van Ventje hield ik. Maar degene die achterbleef leek zoveel op hem dat de illusie standhield, en ik gaf niet op.”

Sauvageot schreef Commentaar eind 1930, vier jaar voor ze aan tuberculose overleed. De tekst was niet bestemd voor publicatie, schrijft Rokus Hofstede in zijn nawoord. Waarom verscheen hij dan toch enkele maanden voor haar dood? Dat is niet helemaal duidelijk. Degene die de uitgave bevorderde, was ene Jean Mouton, een letterkundige. Vermoedelijk is, nota bene, hij ook de minnaar uit het boek. Hij zou uit schuldgevoel Sauvageot overgehaald hebben de tekst te publiceren. Daarbij zorgde hij er wel voor anoniem te blijven.

Liefde is ingewikkeld.