Vrijheid maakt cartoonisten lui

Natuurlijk is de arrestatie van cartoonist Gregorius Nekschot niet goed te praten.

Maar vrijheid heeft ook artistieke nadelen. Zoals de honkbalknuppeltechniek.

Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

De recente aanhouding van cartoonist Gregorius Nekschot heeft veel verontwaardiging veroorzaakt, vooral van de kant van politieke tekenaars. Steunbetuigingen, manifestos, protesttekeningen, ironisch bedoelde loyaliteitsverklaringen aan de overheid – het kon niet op. Even hoopten de Nederlandse cartoonisten op een drama van Deense proporties. Die hoop bleek ijdel.

De vraag dringt zich op waarom het genre van de politieke cartoon de laatste tijd voor zoveel beroering zorgt. De redenen zijn van artistieke en politieke aard. Een politieke prent (cartoon) is per definitie een vorm van non-verbale communicatie. Het is de kunst om een tekening zo vanzelfsprekend te maken dat hij een tekst overbodig maakt. En hier komt de eerste ‘maar’: de Nederlandse cartoon leeft in de schaduw van de stripverhaaltraditie. Ze lijkt te veel op een strip.

In een stripverhaal is de relatie tussen de tekening en de tekst altijd direct. De tekst boven de tekening bevestigd de uitgebeelde situatie. Een cartoon is één tekening die het contrast tussen tekst en beeld bespeelt. Want er is niets beters dan een indirecte boodschap; die komt het hardst aan.

Het drama van de Nederlandse cartoonisten is dat hun werk zó met tekst beladen is dat de tekening bijna overbodig wordt. Bovendien zijn de cartoons vaak weinig subtiel (ik noem het de honkbalknuppeltechniek met het potlood) en niet altijd intelligent. De alles-moet-kunnen-mentaliteit werkt door – óf door middel van een directe, onbeschofte aanval óf een studentikoze grap die te infantiel is om serieus genomen te worden.

Het klinkt paradoxaal, maar de zwakte van de Nederlandse cartoonisten is hun onbeperkte vrijheid. Deze vrijheid heeft er jarenlang voor gezorgd dat niemand aandacht schonk aan de boodschap van de cartoonist. Er waren geen grenzen en dus geen remmen om de creativiteit te prikkelen. Juist door gebrek aan deze beperkingen gingen cartoonisten steeds harder schreeuwen, zogenaamd om de grenzen op te zoeken.

Ik ben in Polen geboren en getogen en heb daar bijna vijftien jaar als illustrator gewerkt. Wij, ontwerpers en illustratoren, werden aan alle kanten beperkt. Polen was bij lange na de Sovjet-Unie of de DDR niet, maar censuur was er aan de orde van de dag. Juist dáárdoor was onze creativiteit tot het uiterste uitgedacht. Je moest langer ergens over nadenken voor je iets zei. Juist dáárdoor kregen elk woord en elke tekening gewicht. Er was een grote ruimte voor de interpretatie en eigen reflectie van de lezer.

De tekeningen van sommige Nederlandse cartoonisten worden nog steeds gemaakt volgens het Theo van Gogh-principe: ‘Het zijn toch allemaal geitenneukers’. Ten eerste begrijpen mensen uit andere culturen dit directe taalgebruik niet. Ten tweede: als iemand met een houten plank in zijn gezicht geslagen wordt, verwacht dan geen uitgebalanceerde reactie. Wij zitten nu eenmaal met veel meer mensen aan de Nederlandse tafel dan voorheen, en dit moeten ook cartoonisten begrijpen.

Ik ben natuurlijk tegen censuur, maar het is mijn ervaring dat enige beperking een stimulerende uitwerking heeft op de creativiteit. Het recht op kritiek is heilig, maar denken, reflecteren, concluderen en standpunten innemen – dit moet verplicht zijn.

Een paar jaar geleden zag ik een discussie op tv. Een groep van de bekendste Nederlandse politieke tekenaars vertelde over hun werk. De helft van dit gesprek ging over hun ervaringen met het instuderen van het hoofd van premier Balkenende. Weinig inhoudelijks dus. De uitzending vond plaats naar aanleiding van de uitreiking van de Inktspotprijs – de jaarlijkse prijs voor de beste politieke prent. De prijs voor de beste cartoonist van het jaar werd destijds uitgereikt door Jan Marijnissen.

Dat is pas politieke satire.

Cyprian Koscielniak is illustrator van nrc.next en NRC Handelsblad.