Twee broers die de schoen nu niet meer kunnen missen

Door vergrijzing bereidt de helft van de familiebedrijven momenteel opvolging voor.

De laatste aflevering in een serie bedrijfsportretten: Van Bommel uit Moergestel.

In een overzichtelijke Brabantse straat doemt zomaar een donkerblauwe vlag op. In een sierlijke letter prijkt wapperend in de wind de bedrijfsnaam: Van Bommel. Daaronder in moderner klein kapitaal de vestigingsplaats: ‘Moergestel’, de plek waar zich ruim twee eeuwen geleden een schoenen- en laarzenmakerij vestigde, die uitgroeide tot een nationale schoenenfabriek. Deze wordt inmiddels bestierd door de negende generatie uit de familie: Reynier (34) en Floris van Bommel (33).

Reynier is sinds 2003 commercieel directeur, zijn jongere broer Floris het creatieve brein achter de schoenen. Waar Reynier een net colbert draagt, loopt Floris in een sportief jack. Heeft Reynier de klassiekere, lederen Van Bommelschoen aan zijn voeten, Floris draagt schoenen uit zijn eigen, moderne lijn. Maar een overeenkomst is er ook. Beide broers zijn de nuchterheid zelve over de lange familieachtergrond van het bedrijf. Reynier: „Wij hebben de mazzel dat we in deze posities gemanoeuvreerd zijn, maar we hebben ook gewoon heel hard gewerkt.” En Floris zegt: „Als mijn vader circusdirecteur was geweest, dan had ik met veel plezier middenin de piste gestaan. Maar het zijn nu eenmaal schoenen.”

Inmiddels is hij aan het product gehecht en „zou hij de schoen niet willen missen”. Bovendien: op zijn manier heeft hij zijn eigen arena gecreëerd. Sinds in 1996 de Floris van Bommel-lijn geïntroduceerd werd, is de naamgever in de promotie ervan steeds meer op de voorgrond getreden. Begeleid door zijn eigen zang- en gitaarspel figureert hij in tv-commercials en andere promotie-uitingen van de campagne. „Dat is een beetje een eigen leven gaan leiden, maar als je daaraan begint, moet je er op voortborduren.”

Toch lag het niet van kinds af aan vast dat de broers Van Bommel het familiebedrijf in zouden gaan. Thuis ging het niet veel over ‘de fabriek’ en de keren dat Reynier en Floris van Bommel als kleine jongens met hun vader meegingen naar kantoor, zijn op één hand te tellen. Floris: „Wij woonden bewust in Hilvarenbeek, 10 kilometer van Moergestel, om werk en privé gescheiden te houden.” Later, toen ze op de middelbare school zaten, werden ze iets meer bij het werk van hun vader betrokken. „Eén of twee keer per jaar mochten we mee klanten bezoeken door heel het land. Met een auto vol schoenen, heel spannend en bijzonder vond ik dat.”

Het duurde tot de jongens begin twintig waren, voordat ze zich realiseerden wellicht hun vaders opvolger te worden. Op dat moment presenteerde vader Frans aan zijn zonen een duidelijke constructie in de verdeling van de bedrijfsaandelen. Zijn drie zoons – de jongste, Pepijn, is momenteel niet werkzaam in het bedrijf – waren toen 16, 21 en 23 jaar oud. Ze kregen allemaal eenderde van de aandelen aangeboden. Ze konden deze kopen met een lening, die ze met de winst van de aandelen weer afbetaalden. Floris: „Hij zag het niet zitten om ons bij een daadwerkelijke overdracht met een enorme schuld op te zadelen, waardoor we bedrijfsmatig verlamd zouden zijn.” De constructie bevatte ook een noot die de jongens verplichtte om voor hun 32ste te beslissen óf ze het bedrijf in gingen. Zo niet, dan moest hij zijn aandelen aan de wel zittende aandeelhoudende broers verkopen. „Onze jongste broer is nu 28. Hij beraadt zich of hij erbij komt.” Reynier en Floris „kunnen hem goed gebruiken”, maar „hij moet lekker doen waar hij zin in heeft”.

Zelf besloten ze beiden in de zomer van 1999 om het bedrijf in te gaan. Floris had de Hogeschool voor Modemanagement afgerond en zijn diploma’s Nima A en B gehaald. Dat hij iets creatiefs wilde doen, stond vast, waar wist hij niet. Tot zijn vader met een aanbod kwam. „Ik kon verantwoordelijk zijn voor de projectontwikkeling en marketing. Dat leek me wel wat.” Reynier had zijn studie Bedrijfskunde in Maastricht afgerond. Voor hem lag de functie als vertegenwoordiger klaar. Maar eerst stuurde vader Frans zijn twee zonen Europa door, werkervaring opdoen. Ze liepen los van elkaar stage in verschillende schoenfabrieken en leerlooierijen. Floris deed een ontwerpopleiding in Milaan en Nice. Toen ze na anderhalf jaar terugkeerden, stond er in de Moergestelse woonwijk voor beiden een bureau klaar.

Ruim vier jaar later, in 2003, kondigde hun vader aan terug te treden uit het bedrijf. Beide zoons werd gevraagd wie directeur wilde worden. Reynier: „Floris zei gelijk nee. Ik wilde mijn ideeën over de commerciële kant van het bedrijf zo goed mogelijk uit kunnen voeren. De beste plek daarvoor is in de directie.” Volgens Floris werd het ook wel een beetje van zijn oudere broer verwacht: „We hadden toch een rare situatie gehad als jij het niet had gedaan.” Onderschat had Reynier de zwaarte van het directeursschap in elk geval, bekent hij. Maar ook: „In die eerste jaren heb ik mijn vader pas leren kennen. Ik zag wat er allemaal bij zijn werk kwam kijken. Ik realiseerde me: dus dáárom was hij er vroeger nooit.”

De laatste jaren hebben Reynier en Floris er een ander bedrijf van gemaakt. „Al was het alleen maar omdat we ondertussen twee keer zo groot zijn.” En dus nemen ze andere beslissingen. Gewaagdere misschien. Nog maar een paar weken geleden werden ze uitgenodigd om in juli op de prestigieuze Europese modebeurs Bread&Butter in Barcelona te staan. Floris: „Dat willen we al jaren, dus we waren zeer vereerd. We hebben gelijk hoog ingezet. In plaats van de standaard 30 m2 hebben we 110 m2 geëist. Die hebben we gekregen, dus nu bouwen we als een gek een stand. Dat is een onvoorziene, zeer hoge uitgave, de budgetten voor dit jaar zijn natuurlijk al lang ingevuld.” Dat ze toch gaan, is dan wel weer typerend voor een familiebedrijf, vinden de broers. „Hadden we aandeelhouders gehad die enkel een financieel belang hebben, had dit nooit gekund. Maar wij vinden: we hebben geen tijd om de komende tien jaar aan te kruidenieren, anders wordt het internationaal nooit wat. Over vijf jaar weet iedereen waar Moergestel ligt.”