Railrunner

De trein stond in Leiden op het punt te vertrekken toen een kwiek meisje, het donkere haar gebonden in een staartje, mijn compartiment kwam binnengehold. Ik schatte haar niet ouder dan een jaar of twaalf, maar van enige bedeesdheid was geen sprake. Ze zocht haar plekje te midden van de lezende en bellende volwassenen alsof het dagelijkse routine was.

Zonder aarzelen, maar uiterst keurig wendde ze zich tot een vrouw die bij het raam op een laptop zat te werken. Een zakenvrouw, vermoedde ik, half in de dertig, gekleed in onberispelijk zwart colbert en zwarte broek.

„Mag ik u iets vragen, mevrouw?”

De vrouw keek verstrooid op.

„Mag ik met u meereizen? Ik heb een railrunnerkaartje.”

Railrunners, wist ik toevallig, zijn kinderen van vier tot en met elf jaar die voor twee euro per kind op het kaartje van een begeleidende volwassene mogen meereizen.

„Hoezo? Heb je geen geld?”

„Het is veel goedkoper om als railrunner te reizen.”

Daar viel weinig tegen in te brengen, behalve door de directie van de Nederlandse Spoorwegen, die het een te royale toepassing van haar regeling zou kunnen vinden. Per slot van rekening had het meisje geen begeleider bij zich toen ze de trein betrad.

De vrouw wist duidelijk niet goed wat ze hiermee aanmoest. Was ze in overtreding als ze het verzoek van het meisje inwilligde? Werd ze daarmee ook verantwoordelijk voor haar? In het blosje op haar wangen herkende ik de harde hand van de twijfel.

Meisje gijzelde zakenvrouw.

„Het is wel een beetje moeilijk”, zei de vrouw ten slotte, „want ik ben al twee keer gecontroleerd.”

Het meisje lachte vrolijk. Ze was best bereid die mevrouw een praktisch adviesje te geven voor het geval er gedonder van zou komen. „Dan zegt u maar dat ik u ken en dat ik in Leiden ben ingestapt.”

„Da’s goed”, zei de vrouw, op het kantoor misschien een keihard type, maar hier niet langer bestand tegen de morele druk die dit onbevangen meisje uitoefende. Ook moest ze de nieuwsgierige blikken voelen van al die reizigers die zich afvroegen wat zij in haar positie zouden hebben gedaan.

Het meisje ging snel in een hoekje van de bank tegenover de vrouw zitten. Ze pakte een boek uit haar tas en begon te lezen. Pas toen we Den Haag binnenreden, klapte ze haar boek dicht.

„Ik ben al heel ver”, zei ze tegen de vrouw terwijl ze met het boek zwaaide.

„Goed zo”, zei de vrouw, van wie een zekere druk leek afgevallen in het zicht van de eindbestemming.

„We zijn bezig met een project voor kinderboekjurering. Daar moet ik veel voor lezen, maar voor mij is dat moeilijk, want ik ben dyslectisch.”

„Heel knap van je dat je het toch probeert.”

We pakten onze spullen en verlieten de trein. „Leuk dat ik even met je heb kunnen praten”, lachte de vrouw, „en succes met de jury.” Het meisje lachte vriendelijk terug. Op het perron zwierde ze uitgelaten haar benen in de lucht en rende weg.

Toen ik even later in de hal van het station stond te wachten, zag ik haar bij een kiosk staan. Een forse beker cola in de ene hand, een gevulde koek in de andere en een bakje frites op een richel van de kiosk voor zich.

Ze zou zich wel redden, later.