Hoogbegaafd maar gecrasht op school

De meeste hoogbegaafde kinderen halen gewoon een diploma, maar eenderde redt het niet op school. En wat dan? Op een dagopvang in Utrecht kunnen hoogbegaafde drop-outs weer leren hoe ‘succes’ voelt. „Ik heb te veel faalangst om gewoon maar wat uit te proberen.”

Bij Feniks Talent kunnen hoogbegaafde jongeren onder meer programmeren, kleien en een weerbaarheidstraining krijgen. Foto Ilvy Njiokiktjien

De tengere, klassiek geklede Robin (20) sleept lange dunne takken het kleine handvaardigheidslokaal in. Onhandig, maar vastberaden. Met een grote, zware metalen tang knipt hij de takken net genoeg in om ze te laten knakken. „Op de plek van de verwondingen ga ik oneindigheidstekens van rubber bevestigen, omdat het niet zal veranderen”, zegt hij cryptisch. „Waar het om gaat is wat je ermee doet.”

Alsof Robins woorden hem eraan doen denken zegt een 14-jarige jongen, net nieuw bij Feniks Talent, dat hij vorige week donderdag even niet meer wilde leven. „Maar ik wilde óók niet dood.” Robin laat zijn tang even rusten, kijkt mij aan en zegt op neutrale toon: „Snap je nu mijn metafoor?”

Schooldrenkelingen

Maandag, een typisch jaren-zestigschoolgebouw van twee verdiepingen in Utrecht. Het gebouw ademt school, maar is sinds kort juist een toevluchtsoord voor ‘schooldrenkelingen’: meer- of hoogbegaafden die zijn vastgelopen in het onderwijssysteem. Ze komen hier voor dagbesteding. En ook steeds vaker voor een héél klein beetje onderwijs.

De meeste hoogbegaafde leerlingen halen gewoon hun diploma. Naar schatting eenderde van hen loopt echter vast op school. „Dat zijn vooral de heel creatieve hoogbegaafden”, zegt Tijl Koenderink (34), oprichter van Feniks en zelf hoogbegaafd. „Zij denken vaak associatief en bedenken graag nieuwe antwoorden op standaardvragen. Daarmee halen ze op school geen goede cijfers.”

Daarnaast komen bij Feniks ook opvallend veel leerlingen met een tweede diagnose, zoals depressie, dyslexie, adhd en – vooral – autisme. „Alléén autisme is niet zo moeilijk voor scholen. Met geduld en duidelijkheid komen ze heel ver”, zegt Teun (18) die hoogbegaafd is en het syndroom van Asperger heeft. „Maar als je ook nog hoogbegaafd bent, dan heb je behoefte aan een ander soort duidelijkheid en dan weten scholen niet meer wat ze met je aanmoeten.”

Foto Ilvy Njiokiktjien

Eerst zelfvertrouwen, dan toekomstplannen

Feniks begeleidt in totaal 54 jongeren; 44 in het Utrechtse schoolgebouw en tien op andere plekken, zoals thuis en op school. Eerst wordt er aan hun zelfvertrouwen gewerkt – daar is na hun problematische schooltijd doorgaans weinig van over. Daarna worden er toekomstplannen gemaakt.

09.00 uur. Dagopening, begane grond. Volgens het weekschema vindt er nu een groepsgesprek plaats, maar de ongeveer tien jongeren van tussen de 11 en 22 jaar doen allemaal hun eigen ding, meestal op een computer of telefoon. Groepsbegeleider Joeri Jansen – engelachtige blonde krullen rond een zachtaardig gezicht – speelt rustig gitaar. Een jongen met lange donkere haren en grote pluche sloffen valt harmonieus in op zijn eigen gitaar. Op de bruine hoekbank zit de nieuweling – donkere kleren, een gestreepte muts waar een haarlok uitsteekt –, die niet met zijn naam in de krant wil. „Na zes verschillende scholen kost het mij weinig moeite om hier te wennen”, zegt hij. Als gevolg van een depressie is hij al ruim een jaar niet meer naar school geweest; zijn laatste school was gespecialiseerd in autisme. „Ze dachten plotseling dat ik autisme heb, maar dat is echt bullshit”, zegt hij boos.

‘Rots en Water’

Plotseling kijkt hij de eveneens nieuwe stagiaire strak aan met een verontruste blik in zijn ogen. „Zeg, jij bent toch niet één van die smeerlappen die alles met mijn ouders doornemen en daarbij totaal niet objectief zijn?”, zegt hij. Zonder het antwoord af te wachten begint hij te vertellen over zijn basisschooltijd. „Toen ik negen jaar was werd ik op een school gepest. Die school deed daar niks aan en dat maakte mij niet zoveel uit. Totdat het fysiek werd, toen heb ik teruggeslagen. En vanaf dat moment was ik de schuldige, dat is toch raar? De directrice sloot mij op in haar kamer omdat ik ook heel boos op haar werd. Toen ben ik uit het raam geklommen. Daarna was ik niet meer welkom.” Plotseling zwaait de deur open. „Iemand naar Rots en Water?”, roept ‘weerbaarheidstrainer’ Mirian Rutten. Enkele jongeren gaan met haar mee naar de gymzaal om met het programma ‘Rots en Water’ te leren voor zichzelf op te komen. Veel jongeren hier zijn gepest.

Allergisch voor moeten

Bij Feniks bepalen de jongeren zelf of ze gaan koken, kleien of programmeren – om enkele andere activiteiten te noemen. Ze zijn allergisch voor ‘moeten’, zeggen docenten. „Dat geldt voor onze jongeren nog veel sterker dan voor andere pubers”, zegt Koenderink. „Zij kunnen woedeaanvallen krijgen van dwang, of juist wegzakken in apathie. Vaak hebben zij het op school nog jaren volgehouden terwijl ze het eigenlijk niet meer aankonden, dat brengen ze nu niet meer op.” Als de jongeren bij Feniks komen, zijn zij er vaak slecht aan toe, zegt Koenderink. „Veel jongeren zijn depressief of hebben een gameverslaving.” Daarom wordt er eerst voor gezorgd dat zij weer goed in hun vel komen te zitten, bijvoorbeeld met behulp van haptonomie. „Daarna laten wij ze succeservaringen opdoen zodat ze weer vertrouwen krijgen in hun eigen talenten, bijvoorbeeld door ze een drone te laten bouwen.”

10.00 uur. Technieklokaal, begane grond. „Kijk, ik heb ook een hovercraft”, zegt docent techniek Ljipke Lijzenga wervend tegen de nieuweling die geïnteresseerd het lokaal rondkijkt. Lijzenga tilt twee enorme propellers op en legt ze voorzichtig op de ronde opening van een holle ruimte van spaanplaat. Als de nieuweling geen aanstalten maakt om met de hovercraft aan de slag te gaan, zegt Lijzenga plagend: „Sommige jongeren hier zijn verwend. Het liefst wachten ze totdat een apparaat al lawaai maakt.” De nieuweling schudt heftig zijn hoofd. „Ik heb te veel faalangst om gewoon maar wat uit te proberen”, zegt hij. „Als ik een foto heb gemaakt waarvan één pixel niet goed is, dan gooi ik hem weg.”

10.30 uur. Eerste etage, de bibliotheek Evangelin (14) – paardenstaart, voor haar leeftijd een opvallend volwassen gezicht – heeft zich als een poes geïnstalleerd achter een computer, in een grote gele stoffen fauteuil. „In de ochtend houd ik mij hier bezig met artificiële fotosynthese”, zegt ze met een zachte stem. „Of met verborgen verhalen uit de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld van onbekende Duitse soldaten.” Evangelin is al anderhalf jaar niet naar school geweest. Zodra dit onderwerp ter sprake komt, begint zij te plukken aan de stof van haar stoel. Er hangen veel losse draadjes aan de leuningen. „Ik kreeg op het gymnasium te weinig uitdaging en kon mij daardoor niet meer concentreren. Toen werd ik vreselijk ziek, met hoge koorts, maar niemand kon een oorzaak vinden.” Ze mocht versnellen, twee schooljaren inéén doen. „Dat vond ik fijn, maar helaas kreeg ik geen begeleiding en wachtte ik tevergeefs op de beloofde compacte leerstof. Het gevolg was dat ik van ’s ochtends zeven tot ’s avonds negen uur non-stop met school bezig was. Toen werd ik weer ziek.”

Het mededelingenbord in Feniks, de dagopvang voor hoogbegaafden in Utrecht. Foto Ilvy Njiokiktjien

Antikraaksfeer

Groot is het verschil tussen de wat ruige antikraaksfeer van de benedenverdieping en de serene, huiselijke sfeer van de eerste etage. De begane grond is vooral het domein van de vijftien jongeren met een volledige onderwijsvrijstelling volgens artikel 5a van de Leerplichtwet. Boven zitten vooral jongeren met een vrijstelling volgens artikel 11d, op dit moment ongeveer dertig; zij gaan slechts tijdelijk niet naar school, of in deeltijd. Muisstil werken vier van hen achter de computer met digitale ‘thuisonderwijspakketten’. Sommige pakketten zijn gekocht door de school waar zij nog staan ingeschreven, andere door ouders. „De meesten werken aan het staatsexamen Engels”, zegt vrijwillig begeleidster Sappho van der Wegen die ook lerares Engels is op een school voor voortgezet speciaal onderwijs. „Dat is voor hen een veilige manier om een succeservaring op te doen. Ze kennen de taal al goed dankzij internet. En voor het staatsexamen hoeven ze geen saaie grammaticaregels te stampen, zolang zij de regels goed toepassen kunnen zij slagen.”

Toen Koenderink Feniks in 2014 oprichtte was hij van plan om de hoogbegaafde drop-outs ook onderwijs te gaan geven. Dankzij de decentralisatie van de jeugdzorg en de invoering van passend onderwijs zouden de fel bekritiseerde ‘schotten’ tussen onderwijs en zorg verdwijnen, zo was de verwachting. In werkelijkheid is onderwijs bij Feniks nu een illegale activiteit waarover Koenderink alleen in zo vaag mogelijke termen durft te spreken. Feniks is een particuliere instelling en daar mag geen geld van het ministerie van Onderwijs heen. En de gemeente betaalt Feniks uitsluitend voor dagbesteding – zodra die op onderwijs gaat lijken wil gemeente niet meer betalen. „Het komt erop neer dat ik de jongeren op cognitief niveau even slecht moet afleveren als toen ze hier binnen kwamen”, zegt Koenderink bitter. „Onze begeleidsters mogen alléén doen wat een ouder aan de keukentafel ook zou doen voor zijn kind. Wat dat precies is, is helaas volstrekt onduidelijk.”

De slaapzaal. Foto Ilvy Njiokiktjien

„Ik zit hier nu als vraagbaak, maar ik zou veel meer voor de jongeren kunnen betekenen als ik ze Engelse les zou mogen geven”, zegt Sappho van der Wegen. „Soms denk ik: wat doe ik hier eigenlijk?”

Toch is er wel iets verbeterd. Dat een aantal jongeren bij Feniks op dit moment gebruik maakt van artikel 11d is bijzonder. Tot voor kort was een gedeeltelijke of tijdelijke onderwijsvrijstelling vrijwel alleen mogelijk voor lichamelijk zieke kinderen, bijvoorbeeld als zij langdurig in het ziekenhuis moeten verblijven. Voor leerlingen die voltijds onderwijs mentaal niet aankunnen was er meestal alleen de keuze tussen een volledige vrijstelling – met als gevolg helemaal geen recht op onderwijs meer – of een eindeloze strijd met de leerplichtambtenaar. Om hen tegemoet te komen riep staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs leerplichtambtenaren in 2015 op in afwachting van nieuwe wetgeving het begrip ‘ziekte’ ruimer te gaan interpreteren.

Ik wil geen kluizenaar worden

Voor de ouders van Teun was een volledige vrijstelling vijf jaar geleden nog de enige optie. Op zijn twaalfde begon Teun aan de havo; dat ging niet goed. „Ik ben wel slim, maar ik had nooit geleerd hoe je moet leren. Hoe je woordjes stampt voor Frans en Duits bijvoorbeeld.” Op zijn dertiende werd Teun overgeplaatst naar vmbo-kader, ondanks zijn geschatte IQ van 138. Twee weken later zat hij thuis, naast zijn thuiswerkende vader . „Ik mocht niks zeggen want dan kon hij zich niet concentreren, we kregen veel ruzie.” Een geschikte school was er niet voor Teun, wel een leefgroep voor jongeren met autisme. „Daar heb ik vrijwel constant achter mijn computer gezeten.” Sinds enkele jaren woont Teun weer bij zijn ouders. Drie keer per week komt hij naar Feniks, vooral voor de aanspraak. „Ik wil geen kluizenaar worden.”

Sommige jongeren ontdekken en ontwikkelen bij Feniks hun talent en kunnen daardoor verder met hun leven. Robin gaat na de zomervakantie fotografie studeren aan de kunstacademie. Hij is aangenomen dankzij het portfolio dat hij bij Feniks samenstelde. Merlijn mag volgend schooljaar aan een gerenommeerde muziekopleiding beginnen. Guido maakt carrière als manager van dj’s.

Buiten de creatieve sector is het zonder diploma echter een stuk lastiger. Teun zou het liefst „iets met computers” willen doen en had om die reden nog lang de wens om terug naar school te gaan. „Maar op mijn zestiende vond een school mij te oud om opnieuw aan de havo te beginnen. Ik dacht toen: ‘Wacht maar, ik zal jullie eens laten zien wat ik zónder diploma kan’.” Daar heeft hij nu spijt van. „Als ik solliciteer bij ict-bedrijven kom ik nooit door de eerste ronde heen.”