Mensenrechten, zijn die nu universeel of niet?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de betekenis van mensenrechten.

In de aanloop naar de Olympische Spelen in China is een hevige discussie losgebarsten over de mensenrechtenschendingen in dat land. De Tweede Kamer sluit een boycot van de openingsceremonie, waartoe ook Amnesty International heeft opgeroepen, nog altijd niet uit. Tegelijkertijd is het kabinet bang dat een boycot van de Spelen averechts effect zal hebben op de verhoudingen met dit steeds machtiger werelddeel. Moet Nederland stelling nemen vóór de mensenrechten – en dus tegen China? Of getuigt dat slechts van een misplaatst gevoel van morele superioriteit?

Dit dilemma ervoer ook de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, de Belgische Jacques Rogge. Eind april riep hij het Westen nog op „te stoppen met aanvallen op China”. Want „het IOC is niet de VN van de sport”, stelde hij. Maar nog geen twee weken later wijzigde de voorzitter van koers en moest het IOC toch „een standpunt innemen aangaande de mensenrechten”. Want „neutraliteit over mensenrechten is niet meer van deze tijd”, vond Rogge. Om daarna toch weer te twijfelen: „Het IOC zit in een spagaat.”

Bij deze spagaat is de onderliggende vraag of mensenrechten universele morele principes zijn of niet. Daar zijn drie veelgehoorde antwoorden op. Het eerste is bevestigend: ja, mensenrechten zijn universeel en moeten dus (al dan niet gedwongen) nageleefd worden door ieder land – ongeacht de verschillen in cultuur of tradities. Het tweede antwoord is cultuurrelativistisch: mensenrechten zijn niet universeel en mogen dus niet worden opgedrongen aan landen met andere culturele normen. Het derde antwoord schippert daartussen: mensenrechten zijn weliswaar universeel, maar dat betekent nog niet automatisch dat ze aan andere culturen mogen worden opgelegd.

Nu is de mensenrechtenkwestie natuurlijk niet alleen een filosofisch dilemma, maar vooral een geopolitieke kwestie; een machtsspel tussen oude en nieuwe economische wereldmachten. De discussie beslechten is in die zin dus ook onmogelijk: het antwoord op de vraag of mensenrechten universeel zijn, hangt mede af van het politieke oogmerk dat men heeft. Zo klaagt het Westen wel doorlopend over de mensenrechtenschendingen in China, maar veel minder over die in Cuba – dat land is immers geen macht om rekening mee te houden. Toch is er wel een theoretisch antwoord op de vraag of mensenrechten universele geldigheid hebben of niet; en dat antwoord ligt in de ontstaansgeschiedenis ervan.

Het concept van mensenrechten vindt zijn oorsprong in de zogenoemde ‘natuurwetdoctrine’: het idee dat er onveranderlijke ‘hogere wetten’ bestaan die zowel een natuurkundige als morele dimensie hebben: aan de ene kant bepalen ze hoe de natuur en het universum ‘werken’ en aan de andere kant hoe de mens zich dient te gedragen. Sporen van deze doctrine zijn al terug te vinden in de oud-Griekse filosofie, de joods-christelijke overlevering en het Romeinse recht. In die periodes werden de natuurwetten meestal nog volledig toegeschreven aan de wil van God. Dat veranderde in de 17e eeuw, toen onder aanvoering van de Nederlandse filosoof en rechtsgeleerde Hugo Grotius (1583-1645) de natuurwetdoctrine werd geseculariseerd. De bron van absolute, morele normen was niet God, stelde Grotius, maar de menselijke rede.

Daarmee was hij niet alleen de grote voorloper van het Verlichtingsdenken van Immanuel Kant, maar ook de grondlegger van het moderne recht. In het boek De iure belli ac pacis schrijft Grotius: „De natuurwetten zijn een gebod van de ‘recta ratio’ (…) die voorschrijft of een handeling toegestaan is of verboden” – een opvatting die Kant later één op één zou overnemen. De term ‘recta ratio’ zou men hier het beste kunnen vertalen als ‘het recht van de rede’. Daarmee doelt Grotius enerzijds op het unieke vermogen van de mens om door middel van de ratio tot morele waarheden te komen; de rede verschafte het ‘recht op’ (of inzicht in) de waarheid over goed en kwaad. Anderzijds verwijst ‘recht’ ook naar de absolute waarheidswaarde van die morele inzichten: ‘recht’ betekent hier ook ‘juist’, zoals in het Duitse ‘du hast recht’.

Het is deze opvatting geweest die de basis heeft gelegd voor wat wij nu mensenrechten noemen. Het zijn morele waarheden die voortkomen uit de rede en dus gelden voor alle redelijke wezens – voor alle mensen dus. Onder mensenrechten werd in eerste aanleg dus niet iets ‘juridisch’ verstaan, alhoewel ze later wel die status kregen. Met mensenrechten werd eerder een ‘eigenschap’ van de mens bedoeld: een inzicht in morele waarheden die alleen mensen kunnen hebben, omdat zij voortkomt uit de rede. En precies dát maakt mensenrechten per definitie universeel: ze gelden voor ieder redelijk wezen, zoals ‘1 + 1’ ook voor ieder mens ‘2’ is. De opvatting dat mensenrechten ‘ondergeschikt’ zijn aan andere culturen, is dan ook onhoudbaar. Wie de term ‘mensenrechten’ gebruikt, sluit moreel relativisme automatisch uit: het idee dat morele waarheden worden bepaald door een cultuur, is in tegenspraak met de strekking van de term ‘mensenrechten’ zelf.

Dan blijft natuurlijk de vraag of mensenrechten wel of niet ‘opgelegd’ mogen worden aan andere culturen. De Britse filosoof Bernard Williams merkt in zijn essay Ethics and the limits of Philosophy (1985) scherp op dat cultuurrelativisme in ieder geval geen afdoende reden is om mensenrechten niet aan andere culturen ‘op te dringen’. Want, zegt hij, in de opvatting dat ‘goed’ en ‘kwaad’ relatief is aan de cultuur van een land en dat mensenrechten daarom niet mogen worden opgelegd, schuilt een „fundamentele incoherentie”. Immers, cultuurrelativisten hangen daarmee „een niet-relatieve moraal van tolerantie en onthouding van inmenging” aan. Ze stellen eerst dat er geen universele moraal bestaat en hanteren vervolgens als universele norm dat culturen elkaar moeten respecteren in elkaars cultureel bepaalde normen en waarden. Dat is in tegenspraak met elkaar.

Anders gezegd, cultuurrelativisme dringt mensenrechten weliswaar niet op, maar sluit bemoeienis evenmin uit. Sterker nog, zegt de Argentijnse filosoof en hoogleraar rechten Fernando Teson (1950) in zijn essay International Human Rights and Cultural Relativism (1985), wie het concept van mensenrechten accepteert, maar toch concludeert dat ze vanwege verschillende culturen niet overal te gelde mogen worden gemaakt, maakt zich schuldig aan „verkapt elitisme”. Want, redeneert Teson, aan de ene kant hanteert men het concept van rechten met universele strekking, terwijl aan de andere kant wordt gedaan alsof die rechten alleen opgaan in het Westen. Het resultaat is dat men „in vage termen waarschuwt tegen etnocentrisme, terwijl dictators aan de macht worden gelaten en er onvoldoende wordt opgetreden tegen menselijk lijden”. De waarschuwing voor westerse superioriteit is weliswaar goed bedoeld, zegt Teson, maar onbedoeld ook zeer elitair – „alsof mensen in andere culturen minder ‘recht’ hebben op mensenrechten dan wij”.

Mensenrechten kunnen dus alleen als universeel worden beschouwd – of moeten vanwege inconsistentie worden verworpen. Maar er is nog een middenpositie. Men zou kunnen stellen dat mensenrechten universele waarheden zijn, maar dat hun inhoud en toepassing relatief is aan de verschillende culturen op de wereld. Zo worden bijvoorbeeld het recht op vrijheid, zelfbeschikking en rechtvaardige verdeling van welvaart gegarandeerd. Maar wat betekent dat? Dat hangt volledig af van hoe men deze begrippen definieert.

Getuigt het (mogen) dragen van een boerka van zelfbeschikking of juist niet? Is een progressief belastingstelsel rechtvaardig of juist niet? Wereldwijde consensus over dit soort dilemma’s is er niet. Dat maakt niet de mensenrechten zélf, maar wel hun betekenis relatief – en het afdwingen ervan dus problematisch. Want wat moet men precies afdwingen? Het Westen vindt dat de Chinese staat inbreuk pleegt op de mensenrechten door dissidenten te vervolgen die de staat ‘beledigen’. Maar geldt dan niet hetzelfde voor Nederland, die twee weken geleden nog een cartoonist arresteerde vanwege ‘belediging’?

Helaas garanderen mensenrechten ons niet het recht op een antwoord op dit soort vragen.