Kritiek op Jeugd en Gezin is onterecht

Geert van Maanen

In het interview met Pieter Zevenbergen, lid van het college van de Algemene Rekenkamer, (NRC Handelsblad, 22 mei) staan feitelijke onjuistheden over de positie van de minister voor Jeugd en Gezin. Deze verdienen een weerwoord, omdat Zevenbergen op basis van deze aannames een oordeel uitspreekt. („Meerwaarde ministerie onduidelijk” en „Rouvoet creëert een merkwaardig staatsrechtelijk vacuüm”).

Zo staat in het artikel, gebruikmakend van wat de Rekenkamer hierover schrijft: „Minister Rouvoet geeft géén leiding aan een ministerie maar is belast met jeugd- en gezinszaken, onderverdeeld in dertien beleidsterreinen. […] Anders dan bij minister Vogelaar […] ligt de uitvoering van zijn beleid bij vier andere ministeries (Justitie, Sociale Zaken, OCW en VWS). […] Rouvoets budgetten […] worden bij drie ministeries beheerd.”

De minister voor Jeugd en Gezin is inderdaad „niet belast met de leiding van een ministerie”, een formulering uit de Grondwet, artikel 44 lid 2. Anders dan voorheen bij dergelijke ministersposten beschikt hij echter wel degelijk over een eigen portefeuille. Behalve rechtstreekse beleidsverantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft hij een eigen begrotingshoofdstuk en ambtenaren die rechtstreeks voor hem werken. Zijn budget behelst onder andere de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de jeugdgezondheidszorg, de jeugdzorg in den brede en de centra voor jeugd en gezin. Minister Rouvoet heeft een eigen begroting waarvoor dezelfde begrotingsregels gelden als voor alle ministers. Uitgangspunt is dat iedere minister zijn eigen tekorten in beginsel moet compenseren.

Wat de minister van Jeugd en Gezin niet heeft, is een eigen gebouw. Hij is zelf gehuisvest binnen het ministerie van VWS en maakt gebruik van ondersteunende diensten aldaar. Een aantal van zijn ambtenaren is op andere ministeries blijven zitten. Het betreft beleidsambtenaren die zich bezig houden met Kinderbescherming (gehuisvest op het ministerie van Justitie) en de beleidsafdeling die gaat over Kinderbijslag en het Kindgebonden budget (Sociale Zaken). Dat heeft als voordeel dat ze dicht tegen aanpalende beleidsterreinen zitten en daarmee snel een verbinding kunnen leggen.

Daarnaast maakt minister Rouvoet gebruik van ambtenaren die op directies werken die onder een andere bewindspersoon vallen, bijvoorbeeld onder de minister van VWS of Onderwijs. Beheersmatig (voor zaken als promotie en rechtspositie) vallen deze onder het betreffende departement.

De gekozen constructie voor Jeugd en Gezin scheelde niet alleen veel verhuisbewegingen en reorganisatieperikelen (lees: kosten en energie). Zo was het mogelijk om snel aan de slag te gaan met een beleidsprogramma.

Het gaat ook om een innovatieve werkwijze in de Rijksdienst. Dit programmatisch werken maakt Jeugd en Gezin een interessant experiment, zoals wordt opgemerkt. Het is jammer dat er in het artikel geen aandacht gegeven wordt aan dit aspect van de vernieuwing van de Rijksdienst. De eerste ervaringen laten zien dat medewerkers elkaar makkelijk vinden. Dat draagt bij aan ontkokering.

Laten we aan het einde van de kabinetsperiode de balans opmaken. Dan zien we of deze werkwijze heeft bijgedragen aan een efficiëntere en effectievere overheid.

Geert van Maanen is secretaris-generaal van VWS en Jeugd en Gezin.