Het hoeft niet zo nodig meer

De nieuwe generatie managers wil alleen een topfunctie als dat niet ten koste gaat van hun gezin.

Dat blijkt uit vandaag verschenen onderzoek.

Jonge managers beginnen ambitieus aan hun loopbaan, maar deze ambitie neemt hard af naarmate ze ouder worden. Dat blijkt uit vandaag verschenen onderzoek van Twynstra Gudde Interim Management onder zeshonderd managers tussen de 30 en 40 jaar. Een kwart van hen wil best graag een carrière aan de top van een grote organisatie, maar, zegt 80 procent, een goede balans tussen werk en privé gaat voor.

Marion Kroezen, partner bij Twynstra Gudde Interim Management, licht de cijfers toe. „Pakweg vijf, tien jaar geleden wilde de gemiddelde manager vooral zo hoog mogelijk in de top van een groot bedrijf komen. Nu zie je dat ze andere ambities en prioriteiten hebben. Ze zoeken naar afwisseling in het werk en geven aan dat ze ‘het beste uit zichzelf’ willen halen. Maar bovenal willen ze een goede balans tussen werk en privé. Het beeld van de manager die tachtig uur per week draait, spreekt ze totaal niet meer aan.”

De ambitie van jonge managers neemt af naarmate ze ouder worden, hoe verklaart u dat?

„Bij jongere managers, tot 35 jaar, zien we inderdaad een fanatiekere wens om de top te halen. Daarna neemt de ambitie af. Ze zien hoe moeilijk het is om een topbaan te combineren met een privéleven. Ze krijgen een gezin en realiseren zich: dit is niet haalbaar. Je ziet dat vooral bij vrouwen: daarvan heeft maar 15 procent ambitie voor de top. Bij mannen ligt het percentage hoger, maar ook zij stellen wensen bij naarmate ze ouder worden.”

Uit de Emancipatiemonitor 2006 blijkt dat mannen met jonge kinderen geen uur minder zijn gaan werken en dat vaders zelfs meer werken dan mannen zonder kinderen.

„Klopt, maar in de groep jonge managers die wij hebben onderzocht, zie je dat er steeds vaker sprake is van twee carrières in een gezin. Die vrouwen willen ook blijven werken. We merken dat de nieuwe generatie mannen dat accepteert, en het zelf ook echt belangrijk vindt om thuis z’n deel te doen.”

Hoe verklaart u dat?

„Enerzijds is er meer gelijkwaardigheid binnen relaties. Anderzijds hebben we te maken met een tijdgeest waarin andere zaken dan carrière belangrijk zijn. Ongetwijfeld speelt de economie een grote rol: zolang het goed gaat, kun je ook eisen stellen. Hoger opgeleiden zijn schaars en blijven dat nog wel even. Die kunnen dus eisen stellen.”

Is het niet gewoon verwend gedrag van die jonge managers, die wel alles lijken te willen?

„Ze willen het beste van twee werelden. Ik weet niet of je dat verwend moet noemen, maar het is wel naïef op een bepaalde manier. Het kan inderdaad niet altijd allebei.”

Ruim 70 procent van de ondervraagde managers wil geen bestuurszetel bekleden als dat betekent dat ze het ‘thuisfront minder zien’. Dat lijkt me een percentage waar bedrijven van zullen schrikken.

„Dat denk ik ook. Op zich is de wens om werk en thuis te combineren niet nieuw, maar dat zo’n overgrote meerderheid dit aangeeft betekent voor bedrijfsleven dat ze echt iets moeten veranderen. Bedrijven zullen vaker deeltijdwerk moeten toestaan, ook op de hoogste posities.”

In de top van multinationals lijkt dat nog ver weg: de eerste deeltijd-CEO moet nog opstaan.

„Klopt. Je zult gaan zien dat het aantal managers dat wel bereid is om tachtig uur per week te draaien steeds kleiner wordt.”

Tot slot, hoe staat het met uw eigen balans?

„Ik heb drie kinderen en mijn echtgenoot en ik hebben altijd allebei gewerkt en samen de zorg gedeeld. Ik werk nu ook vier dagen als partner bij Twynstra Gudde. Het kan dus best.”