Herfkens niet de enige met bijzondere betaling

In de discussie over mevrouw Herfkens (Opiniepagina, 27 mei) is één aspect onderbelicht gebleven: de bestaande praktijk tussen internationale organisaties en enkele westerse landen.

Eerst drie feiten. De meeste internationale organisaties, vooral die van het VN-systeem, bieden salarissen die, ondanks hun belastingvrijdom, niet meer voldoende zijn om ambtenaren uit alle lidstaten aan te trekken. Toch is het noodzakelijk dat lidstaten vertegenwoordigd zijn.

Internationale organisaties, wederom vooral die van het VN-systeem, zijn vervolgens gevestigd in steden waar het levensonderhoud vaak duur is. Het is echter niet realistisch een verandering van deze vestigingsplaatsen te verwachten.

En ten derde hebben lidstaten, vooral de rijke westerse landen, er geen enkele behoefte aan grotere bijdragen aan deze organisaties te betalen. Liever houden ze deze in een staat van semi-bankroet om ze onder een zekere druk te houden. Salarisverhogingen van betekenis zullen er dus niet komen.

Hoe zorgen de grote westerse landen er dan voor dat zij toch voldoende vertegenwoordigd zijn? Door bijzondere betalingen. Japan en Duitsland begonnen daarmee, toen zij in de jaren 70 en 80 de relatief hoogstbetaalde ambtenaren ter wereld hadden. Daarna volgden de VS en andere westerse landen, waaronder, aanvankelijk aarzelend, ook Nederland. Dat gebeurt in allerlei vormen. Aanvankelijk heel grof in de vorm van nationale salaristoeslagen, later meer bedekt door leningen die kwijtgescholden zouden worden, betaling van `gederfd salaris` na terugkeer in het eigen land of specifieke bijdragen aan zeer hoge kosten, zoals huisvesting of kinderopvang.

Nederland is daarin meegegaan. Dat werd als `gerechtvaardigd` gezien, omdat men bereid was voor nationale diplomaten het nodige te doen in de vorm van extra toeslagen, als ze in een van de vestigingsplaatsen van de VN-organisaties gestationeerd werden. Veelal waren het zulke mensen die later in leidende posities bij internationale organisaties `geparachuteerd` werden.

Deze wijdverbreide praktijken gaan, zo niet tegen de letter, dan toch tegen de geest van de regels van de onafhankelijkheid van internationale ambtenaren in. Zij worden echter zowel door de organisatie als haar leden oogluikend toegestaan in het belang van de evenwichtige verdeling van de (leidende) posten in de organisatie in kwestie. Wat te zeggen van het rechtsgehalte van een regel die al zo lang regelmatig ontdoken wordt met medeweten van alle betrokkenen? Zeer laag, maar altijd nog hoog genoeg om, wanneer dit publieke geheim werkelijk publiek wordt, te doen alsof het nooit bestaan heeft en de regels altijd onverkort gegolden hebben. Daar zien we in het geval van mevrouw Herfkens een mooi voorbeeld van.