Goal! En dan stilte in de sloppenwijk

De spreekkoren van voetbalsupporters in Rio de Janeiro zijn soms creatief, maar ook discriminerend.

Zelf zien de fans dat anders.

Voordat hij aan de wedstrijd begon, schminkte Carlos Alberto altijd eerst zijn gezicht wit met rijstpoeder. Zo viel Alberto, de eerste zwarte voetballer van de ‘witte rijkeluisclub’ Fluminense uit Rio, minder op tussen zijn blanke teamgenoten. Dat was in 1914; maar Alberto is nog steeds niet vergeten. Fans van andere clubs herinneren de Fluminense-aanhangers graag, met harde grappen over rijstpoeder, aan het pijnlijke, racistische verleden van hun club.

Voor voetbalclubs uit Rio hebben rivaliserende fans een ander, bijtend spreekkoor. Als volksclub Flamengo in het Maracanã-stadion een doelpunt tegen krijgt, zingen de bezoekers: „Ela, ela, ela, silêncio na favela.” Letterlijk betekent dat: zij, zij, zij, stilte in de sloppenwijk – veel Flamengo-supporters zijn afkomstig uit de meer dan 600 sloppenwijken in de stad. Het spreekkoor is misschien schokkend voor een buitenstaander, niet voor de cariocas, zoals de inwoners van Rio heten.

„Het is een vorm van discriminatie, maar anders dan in Europa”, zegt antropoloog Martin Curi, verbonden aan Ibase, het Braziliaanse instituut voor sociale en economische analyse in Rio. „Ze zeggen hier niet: kleurlingen moeten het land uit. Dan zou Brazilië instorten bij gebrek aan arbeidskrachten voor de laagstbetaalde baantjes.”

Curi deed onderzoek naar de spreekkoren van de voetbalsupporters van de vier grote clubs in Rio: Flamengo, Botafogo, Fluminense en Vasco da Gama. Het project werd gefinancierd door de FIFA; het was voor het eerst dat de wereldvoetbalbond een dergelijke studie in Brazilië sponsorde.

De spreekkoren tegen Flamengo zijn volgens de onderzoeker ook een voorbeeld van sociale discriminatie, want zwart is niet de enige kleur van armoede in Brazilië. In de sloppenwijken wonen ook blanke Brazilianen. „Maar goed, kijk om je heen en je ziet bijna geen zwarte mensen in hoge functies. In de eredivisie van het Braziliaanse voetbal zijn alle coaches, op één na, blank”, zegt Curi.

Het onderzoeksproject van Curi heeft geleid tot een website tegen racisme in het voetbalstadion. „Wij willen niets verbieden, maar vooral de discussie over discriminatie in het stadion aanzwengelen. Mensen zouden bewust moeten zijn van wat ze zeggen, dat bepaald gebruik van woorden een xenofobe oorsprong heeft”, zegt hij.

Tijdens de wedstrijden van Vasco da Gama, genoemd naar de Portugese ontdekker van Brazilië, zijn de xenofobisch getinte teksten alom aanwezig. „Ik ben geen vascaíno (supporter van Vasco), ik ben geen vascaíno. Ik verkoop geen brood, ik verkoop geen brood”, zo luidt een van de minder grove spreekkoren. De woorden verwijzen naar de Portugese immigranten in Brazilië, die in het verleden vaak bakkerijen bezaten.

Curi sprak voor zijn onderzoek onder meer met 80 supporters. De eerste vraag luidde: bestaat racisme? Het antwoord was altijd ja. De laatste vraag: ben jij zelf wel eens racistisch? Het antwoord was altijd nee.

„De opmerking over stilte in de sloppenwijk wordt gezien als een onschuldige grap die niet refereert aan de situatie buiten het stadion. Zelfs aanhangers van Flamengo zien het zo, maar zij doen dat misschien wel uit defensieve overwegingen.”

Niettemin ziet Curi ook positieve ontwikkelingen in het stadion. Zo zijn er steeds meer fanclubs in Rio de Janeiro die 90 minuten lang gewoon zingen tijdens een wedstrijd. Het zijn vaak creatieve liedjes, zonder grof taal gebruik. Het is een relatief nieuw fenomeen, overgewaaid uit Argentinië. „Het is een succes. Op televisie worden de liedjes zelfs ondertiteld. Vroeger was zoiets ondenkbaar vanwege het gebruik van scheldwoorden.”

Volgens de antropoloog is de sfeer vriendelijker geworden doordat meer Brazilianen uit de middenklasse de stadions bezoeken. In Rio de Janeiro is een aantal stadions de afgelopen jaren gerenoveerd en beter beveiligd, vanwege de Pan American Games die in 2007 in de stad zijn gehouden.

Dat heeft geleid tot afschaffing van staanplaatsen en hogere toegangsprijzen. Een kaartje kost tegenwoordig minimaal twaalf euro, een fors bedrag in een land waar het minimumloon ongeveer 180 euro per maand is. Curi: „De middenklasse kan zich de toegangkaartjes makkelijker veroorloven. De nieuwe supporters, met een wat hoger opleidingsniveau, zitten achter de zingende fanclubs.”

Zelf is Curi een fan van Fluminense, waar supporters de grappen over rijstpoeder tegenwoordig proberen te ontkrachten. Curi: „Rijstpoeder is een symbool geworden van de club. Als de spelers van Fluminense het veld opkomen, gooien hun supporters kilo’s rijstpoeder de lucht in, waardoor er imposante stofwolken ontstaan. Rijstpoeder kan zo een andere associatie krijgen, zonder dat je meteen aan dat verhaal over Carlos Alberto denkt.”

Bekijk de Braziliaanse website www.racismonofutebol.org.br