Gazprom-diplomatie

Tel je gas en olie bij elkaar op, dan produceert Gazprom inmiddels meer energie dan heel Saoedi-Arabië. Dat is eigenlijk geweldig goed nieuws voor Europa, voor Nederland ook. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier is net terug uit Moskou en Petersburg. Duitsland sleutelt aan wat hij noemt Modernisierungspartnerschaft. Een oude draad wordt weer opgevat. Duitse ingenieurs hebben de industrialisatie in het tsaristische Rusland gebracht. Veel technische termen in het Russisch herinneren eraan, ze komen uit het Duits.

Duitsland beschikt over kennis en techniek, Rusland over grondstoffen en een krakkemikkige infrastructuur. Steinmeier ziet in Rusland „versneld rechtszekerheid ontstaan, want anders bereikt het land zijn economische doelstellingen niet”. Hij was ook de man achter de schermen die nog onder het kanselierschap van zijn partijgenoot Gerhard Schröder de roemruchte aardgasdeal met president Poetin, inclusief een gaspijplijn door de Oostzee, bekokstoofde. Schröder is nu de president-commissaris van dit Duits-Russische project.

Opgestookt door de Amerikanen en aangewakkerd door de Engelsen bestaat in een deel van Europa een merkwaardig negatief maar ook ahistorisch beeld van het huidige Rusland. Het werkt als een splijtzwam. (En zoals dat gaat loopt de breuklijn dwars door Nederland: de buitenlandse politiek van de Groningse Gasunie en de opvattingen van de zojuist teruggetreden voorzitter van de Raad van Europa, de Limburger Van der Linden, klinken anders dan de seminargeluiden in de Randstad). Ook Polen roert zich in dit kamp luidruchtig, maar hier is het niet zozeer ahistorisch maar, juist omgekeerd, een historisch complex: Polen was een paar eeuwen lang het kind van de rekening als de twee buurlanden links en rechts elkaar vonden.

Het is niet moeilijk om je te ergeren aan Rusland. Er is opulent nouveau-richegedrag met een samenballing van miljonairs in Moskou die New York overtreft met hemeltergende minachting jegens ellende en armoe om de hoek. De democratie is een aanfluiting, rechters zijn corrupt, contracten van dubieuze waarde. In de Veiligheidsraad is Rusland de voorspelbare dwarsligger bij alles wat het Westen dierbaar is en in de eigen regio soms aanmatigend assertief. Ergerlijk, kortom, en wie in de geest van de tijd een oordeel wenst te baseren op emoties en moraal is dus snel klaar.

Maar draai het eens om: Rusland was vele honderden jaren een uitgestrekt rijk. Het heeft zijn veiligheid altijd gezocht in ‘kolonisatie thuis’, dat wil zeggen uitbreiding van landmassa, vooral naar het zuiden en het westen, want om het volk te voeden lag het kernland veel te noordelijk. In die paar bewogen jaren van Gorbatsjov is aan een eeuwenoud rijk zomaar een einde gekomen. Zelfs Kiev – de bakermat van Rusland – is nu buitenland en als het aan de Amerikanen had gelegen zowaar lid van de NAVO.

En dan de rechtsstaat. Hoe vreemd het ook klinkt, Rusland heeft praktisch nooit zoveel vrijheid gekend als nu. Misschien met uitzondering van een decennium in de negentiende eeuw rondom de afschaffing van de lijfeigenschap (1861) en van enkele maanden rond de Februarirevolutie en de Oktobercoup van 1917. De intimidatie jegens de media nu is stuitend, maar Russen zélf stellen het aan de kaak en de kritiek hoeft niet, zoals vroeger, als illegale pamfletten het land uit te worden gesmokkeld voor verspreiding. Voor de manipulatie van verkiezingen geldt hetzelfde: je kunt Russen voor de camera op het Rode Plein erover horen klagen.

In zekere zin is Poetin nog altijd bezig om een uitweg te zoeken uit de vernederingen van één van de meest dramatische decennia uit de Russische geschiedenis en om het Chinese pad te zoeken van hervormingen eerst – en eventueel de vrijheden pas later. De Russen bevalt deze illiberal democracy wel. Poetin is en blijft populair.

Het vehikel van de macht is Gazprom. Het disciplineert desgewenst de media, entertaint op mondaine wijze de happy few. („The Kremlin was fun, but it wasn’t wild”, rapporteerde de zanger van de Britse band Deep Purple laatst in de Times en hij kan het weten want deze favoriete band van president Dmitri Medvedev wordt geregeld ingevlogen). Gazprom is goed voor bijna een kwart van de staatshuishouding en is tevens het machtigste wapen om weer mee te tellen in de wereld. Gazprom moderniseert zichzelf ook. Het probeert te worden wat diverse Chinese bedrijven zo goed is gelukt en wat westerse handboeken Bedrijfskunde logenstraft: staatsbedrijf zijn en toch slagvaardig en modern.

Maar de Gazprom-prominenten kunnen anders dan de Saoedische sjeiks de buitenwereld niet alleen maar naar hun pijpen laten dansen. Rusland telt 140 miljoen inwoners, het is dramatisch vergrijsd, eenderde van de bevolking leeft van een karig pensioen. Midden- en kleinbedrijf ontbreken, er is veel klatergoud en weinig ondernemerschap.

Partnerschap voor modernisering is dan ook zowel een noodzaak als een uitgelezen kans. Maar vrijblijvend is het niet. Gazprom wil zich inkopen in Europese energiegiganten. Aan Europese transparantie-hobby’s, zoals de scheiding van energieproductie en energienet, wenst het niet te voldoen. Want dat is een bom onder Gazprom als machtsmiddel. De Europese Commissie worstelt er dezer dagen mee.

Vrijblijvend ook anderszins niet: met engelengeduld hebben Duitse politici vooral vorig jaar de beledigingen uit Warschau door de wilde tweelingbroers Kaczinsky over zich heen laten komen. Met de bezonnen premier van het Poolse Burgerplatform, Donald Tusk, is het nu een stuk beschaafder. Maar Polen zal zich uiteindelijk moet schikken, moeten accepteren dat Duitsland is veranderd en dat het eigen zelfbeeld niet blijvend gestoeld kan zijn op een omsingelingscomplex.

En Amerika?

Het is even wennen – maar dat dient hier geen Europees belang.

Reageren kan op nrc.nl/knapen