‘Funny Games’ blijft verbijsterend, ook in Engels

Funny Games U.S. Regie: Michael Haneke. Met: Naomi Watts, Tim Roth, Michael Pitt, Brady Corbet. In: 14 bioscopen.

Er zit een pervers kantje aan de Amerikaanse remake die Michael Haneke van zijn eigen, oorspronkelijk Duitstalige Funny Games heeft gemaakt. Sommige mensen zullen de hele film pervers vinden, maar goed. Het bizarre van deze remake is dat hij vrijwel een replica is van het origineel, met alleen een andere, internationaal toegankelijker taal, met andere, beroemder acteurs en hier en daar een stukje decor dat is verplaatst.

Waarom zet een regisseur zich opnieuw aan de productie van een film die hij elf jaar geleden heeft gemaakt, zonder substantiële verandering aan de creatie zelf? Is dat geen belediging van zijn eigen creativiteit? Niet als de maker het effect van zijn film belangrijker vindt dan de film zelf. Haneke heeft in interviews onderstreept dat hij vindt dat een groter publiek kennis moet nemen van de boodschap van Funny Games. Hij is zo arrogant te stellen dat de boodschap en de verpakking ervan perfect zijn – hij hoefde er immers niets aan te veranderen. Er schortte kennelijk alleen van de kant van het publiek, van ons, iets aan. Wij waren met te weinig.

Noem het de arrogantie van de moralist. Maar dan wel een moralist die ongekend goed kan filmen, die een leerstuk over geweld en kijken naar geweld weet vorm te geven als de bijna onverdraaglijke, en onweerstaanbare film die Funny Games was en is. En wat de omvang zijn publiek betreft heeft Haneke gelijk. Naar de Oostenrijkse versie kwamen tien jaar geleden in Nederland 5.209 bioscoopbezoekers kijken. Dat is veel te weinig.

De oorspronkelijke Funny Games was een mijlpaal, hij is een herkenningspunt geworden in het Westerse culturele landschap. En in de tussenliggende elf jaren is de vraag naar onze verhouding tot geweld als vermaak niet minder urgent geworden. Dat maakt een remake relevant – al wordt het er voor de recensent niet eenvoudiger op. Moet hij ervan uitgaan dat de lezer, al is het maar van horen zeggen, heus wel weet waar de film over gaat? Of niet? In het laatste geval is te veel vertellen ongepast. Haneke heeft zich na de release van het origineel opgewonden over critici die te veel van de plot weggaven. „De suspense is de lijm die mensen aan hun stoel vastplakt”, zei hij. Als je de suspense weggeeft, hebben mensen minder reden om te blijven zitten – en er zijn, dat weet Haneke ook, veel redenen om weg te lopen.

Funny Games begint als de vrolijke vakantie van een gezin uit de hogere burgerlijke klasse – het favoriete doelwit van alle Oostenrijkse beroepsgeselaars, of ze nu Thomas Bernhard heten, Elfriede Jelinek of Michael Haneke. Man, vrouw en kind rijden over de weg en er klinkt schitterende klassieke muziek uit de installatie. De vrouw moet raden welk stuk ze hoort en van wie. Zij heeft het goed. Dan is het de beurt aan de man. Hij heeft het fout. 3-2 voor mij, zegt de vrouw. Ze genieten van de muziek en Haneke maakt zijn typische Haneke-shot: frontaal van voren door de autoruit filmt hij de sturende man, de luisterende vrouw en het in voorspoed en liefde grootgebrachte zoontje. Baf, de hemelse muziek wordt vervangen door helse: Bonehead and Hellraiser van Naked City. Dit horen wij alleen. De familie blijft onschuldig lachend naar Händel luisteren. Daaroverheen in bloedrood de titel Funny Games.

Hier is Haneke altijd goed in geweest: een beeld uit het dagelijks leven nemen en daar een dreigende lading aan geven. Hij heeft er niet eens altijd muziek voor nodig. In Caché, zijn voorlaatste film, richtte hij de camera op een doodgewoon huis in een doodgewone Parijse straat en liet dat beeld minuten lang staan. Tot het ineens werd teruggespoeld; we hadden naar een video zitten kijken. Meteen was het geruststellende straatje in Parijs verdwenen en was er een gevoel van onafwendbare doem voor in de plaats gekomen. Dat bereikt Haneke zonder geweld of obligate schrikeffecten en dat is meer dan knap. Dat is, of misschien moet je zeggen: dat was elf jaar geleden vernieuwend.

Intussen draait het natuurlijk wel allemaal om geweld. Bij het vakantiehuis van het vrolijke gezin dienen zich onverwachts twee beleefde jongens aan die het gezin bij wijze van spel (wedden dat…) beginnen te terroriseren. Het geweld blijft vrijwel geheel buiten beeld, maar Haneke dwingt ons te kijken naar de consequenties ervan, in stilstaand kader en minuten lang, tot we voorbij het eerste zien en snappen terechtkomen bij ervaren – dat is waar het pijn doet.

Met Funny Games stelt Haneke de houding van de rijke westerling als geweldsconsument ter discussie. Hij doet dat meer filosofisch dan psychologisch of zelfs sociologisch. De jongens in kwestie zijn dragers van een boodschap, geen personages in de gebruikelijke zin van het woord. Daar spelen ze ook mee: ze noemen een scala aan mogelijke motieven voor hun gedrag, om die meteen lachend weg te wuiven. Paul, de leider van de twee (Michael Pitt, die heel goed is, maar toch het beeld van de superieure Arno Frisch uit het origineel niet kan verdrijven) kijkt af en toe in de camera om ons toe te spreken en zo te betrekken bij zijn houding: „Wat denkt u? Maken zij nog een kans?”

Nu is de vraag of de Engelstalige remake meer mensen naar de bioscoop krijgt dan die luttele 5.000 van 1997. Zouden de namen van Naomi Watts en Tim Roth helpen? De aanwezigheid van sterren doet wel iets met de film, zeker die van Naomi Watts. Zij is een door haar roem ‘erkende’ schoonheid en dat geeft een scène waarin haar lichaam door de jongens wordt gekeurd, een heel andere lading dan toen Susanne Lothar die rol nog speelde. Lothars gezicht werd overigens in de loop van Funny Games bijna lachwekkend rood en dik van het huilen; bij Watts is dat minder grotesk.

De twijfelaars moeten zich maar laten aanmoedigen door de woorden van Haneke de predikant, de profeet, die in een interview over het origineel zei: „Wie tussentijds de zaal verlaat, heeft de film niet nodig, wie blijft zitten wel.” Misschien dat de bioscopen halve kaartjes kunnen verkopen voor de mensen uit de gezonde categorie.