Door 007 is het geen schande om Brits te zijn

Vandaag is de honderdste geboortedag van Ian Fleming, de bedenker van James Bond.

De liefde voor 007 zit diep bij de Britten. Maar waarom is Bond nog steeds zo populair?

Of hij op Goat Island is geweest? Visser ‘Crooksie’ neemt een slok van zijn Carib-bier en gaat er eens goed voor zitten. Natuurlijk, hij kent het vier hectare grote, rotsachtige eilandje voor de kust van Tobago als geen ander. Hij vertelt over de villa die er ooit is gebouwd in opdracht van een zekere Mister Russell („An Englishman from England”) en over de koraalriffen die het eiland omringen. Of hij dan ook Ian Fleming gekend heeft, de wereldberoemde schepper van James Bond die lange tijd eigenaar was van Goat Island? Crooksie fronst. „Fleming? Don’t know no man named Fleming.”

Ondanks talloze reisgidsen die het tegendeel beweren, heeft de spionageschrijver nooit een voet op het eiland gezet – laat staan dat hij het bezat. Waarschijnlijk is het verhaal de wereld in geholpen door makelaars die de prijs van hun onroerend goed op wilden stuwen. Vorig jaar stond Goat Island nog te koop voor 3 miljoen dollar. „The ultimate in James Bond memorabilia”, meldde de makelaar, die in de brochure ook wist te vertellen dat de schrijver zijn ochtenden bij voorkeur snorkelend doorbracht rond het eiland.

De fabel van Goat Island tekent de niet aflatende populariteit van Ian Fleming (28 mei 1908 - 12 augustus 1964) en zijn creatie James Bond. De honderdste geboortedag van Fleming is in Groot-Brittannië aanleiding voor een reeks festiviteiten en een nieuwe Bondroman, geschreven door sterauteur Sebastian Faulks.

Faulks werd door de nazaten van Fleming uitverkoren voor het erebaantje. Hij volgt in de nieuwe Bond Devil May Care het klassieke Fleming-sjabloon van exotische locaties, verleidelijke vrouwen en maniakale schurken. Volgens Faulks is zijn James Bond weliswaar kwetsbaarder dan we gewend zijn, maar nog steeds galant en highly sexed.

De liefde voor Fleming zit diep bij de Britten. Zelf heeft Fleming zijn werk nooit erg serieus genomen. Toen hij in 1952 het manuscript van de eerste Bondroman (Casino Royale) opstuurde naar uitgever Jonathan Cape, bood hij in een begeleidend briefje alvast zijn verontschuldigingen aan: „Het is vreselijk platvloers.” Een jaar voor zijn dood vertelde Fleming in het artikel How to Write a Thriller iets over zijn motivatie: „Ik heb geen boodschap voor de lijdende mensheid... Mijn boeken zijn geschreven voor warmbloedige heteroseksuelen in treinen, vliegtuigen of bedden.”

Toch is James Bond uitgegroeid tot een cultureel icoon, de populairste naoorlogse Britse held. De originele covers van zes Bonddetectives sieren dit jaar zelfs de Britse postzegels. Al vanaf Casino Royale was duidelijk dat Bond de Britten raakte. Het land had Bond nodig.

In het vorig jaar verschenen The Man Who Saved Britain beschrijft de Britse Bondfanaat Simon Winder de staat waarin het koninkrijk verkeerde op het moment dat Bond ten tonele verscheen: „Een stervend eiland op de rand van een koud, klein continent.” Niet Groot-Brittannië, maar de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie bleken na de Tweede Wereldoorlog de lakens uit te delen. Het Britse koloniale rijk viel uiteen, de samenleving was verlamd door een vooroorlogs systeem van klassegebonden privileges.

James Bond werd ‘geboren’ op maandag 13 april 1953, de dag dat Casino Royale verscheen bij uitgeverij Jonathan Cape. In de wereld van Bond is Groot-Brittannië kerngezond. Natuurlijk, er zijn megalomane gekken die de mensheid willen vernietigen, maar ze delven telkens weer het onderspit tegen de charmante geheim agent uit Londen. Slechts bij hoge uitzondering vinden de confrontaties plaats op Engelse bodem; liever stuurt Fleming zijn held naar exotische locaties in het Caraïbische gebied, de Verenigde Staten of Zuid-Europa (ook Frankrijk gold voor Engelsen in die jaren als exotisch).

In de fictieve wereld van Fleming dringt de moderne wereld alleen door in de vorm van de gadgets van Q, voor het overige blijft de moderniteit op een veilige afstand. Kolonialen en vrouwen schikken zich zonder morren in hun onderdanige rol en de Amerikanen hebben de hulp van de Britse inlichtingendienst Mi6 nodig om hun eigen criminelen te bestrijden (Live and Let Die, 1954).

Het zou een jaarlijks terugkerend ritueel worden. Iedere winter verdween Fleming naar zijn landgoed ‘Goldeneye’ op Jamaica om daar op een vergulde typemachine een nieuw avontuur van Bond bij elkaar te fantaseren, ook toen zijn gezondheid hem door de dagelijkse consumptie van een halve fles gin en zeventig (handgerolde) sigaretten in de steek begon te laten. Terwijl Fleming langzaam opbrandde, bleef Bond jong. Dankzij Bond was het geen schande om Brits te zijn, zelfs niet in de jaren vijftig.

Meer dan vijftig jaar na de eerste Bondroman zijn wereldwijd ruim honderd miljoen boeken van Fleming verkocht. De films hebben gezamenlijk 2,9 miljard euro opgebracht. En nog steeds is de populariteit van Bond niet tanende. In november komt de nieuwe film, Quantum of Solace. De wereld mag dan totaal veranderd zijn, de strak gecomponeerde plots van Fleming blijven bruikbaar. Dankzij de huidige terrorismedreiging begrijpen we de Koude Oorlog-paranoia van Bond beter dan ooit.

De universele aantrekkingskracht van Bond heeft ook te maken met de persoon Fleming. Er wordt vaak beweerd dat hij met Bond zijn alter ego schiep. En inderdaad: net als Bond was Fleming een aristocraat, afkomstig uit een steenrijke bankiersfamilie. Net als Bond werkte Fleming tijdens de oorlog voor de geheime dienst – hoewel hij zijn eigen rol schromelijk overdreef. De exotische locaties waar Bond door M naar toegestuurd wordt, kende Fleming uit eerste hand. En net als Bond was Fleming een oppervlakkige man, met een diepe minachting voor vrouwen. „Het probleem met vrouwen”, vertelde Fleming een interviewster, „is dat ze niet schoon zijn. Ze zijn smerig, het hele zootje.”

Naast de vele overeenkomsten tussen Bond en Fleming is er ook een belangrijk verschil. Zoals Fleming-biograaf John Pearson schrijft: „Bond is de man die altijd zou slagen waar Fleming faalde.” Fleming was maatschappelijk weinig succesvol. Hij was journalist, aandelenhandelaar en uitgever, maar in geen van die beroepen blonk hij uit. De oorlog was zijn finest hour.

Als medewerker van de inlichtingendienst mocht hij meedoen aan operaties, hoewel hij tot zijn spijt het echte veldwerk moest overlaten aan anderen. Na de oorlog kostte het Fleming moeite terug te keren naar een burgerbestaan. Hij verzon een ideale versie van zichzelf, meer super-ego dan alter ego, die de avonturen beleefde waar Fleming alleen maar van droomde. Dat verlangen naar een avontuurlijker leven kent iedereen. Eigenlijk willen we allemaal James Bond zijn.

Rob Hartgers is journalist en Fleming-kenner