De hele dag chips

Schrijver Arnon Grunberg bericht vanuit Irak, waar hij enige tijd verblijft. Deel tien van een serie.

Het is het heetst van de dag als ik met mijn begeleider op JSS (Joint Security Station) Saba al-Bor word afgeleverd. Het Joint Security Station is een gebouw in slechte staat. Op de begane grond wonen bevriende Irakezen, inclusief kinderen. Iraakse politie, Iraaks leger. Op de eerste verdieping wonen de troepen.

Wie een, twee stappen buiten de deur zet, moet zijn scherfvest aan. ’s Ochtends en ’s avonds wordt er eten gebracht, maar snacks zijn er de hele dag. Een müslireep, een muffin, chips.

Door de betonnen blokken rondom de basis zie je niets van de omgeving, alleen op enkele strategische plekken is het puntje van de moskee zichtbaar.

De troepen zullen hier veertien maanden gelegerd zijn.

Ik kom op een kamer te liggen met sergeant Luis Hernandez.

Hernandez begroet me vriendelijk en als hij hoort dat ik in New York woon neemt de vriendelijkheid toe. „Ik ben geboren in de Lower East Side”, zegt de sergeant.

Ik rol mijn slaapzak uit.

Mijn begeleider, specialist Frieling, slaapt nooit in een slaapzak. Hij doet ook zijn uniform niet uit. Alleen zijn schoenen. Alles wat pyjama is, is van hem afgevallen.

„Ik ben een vriendelijk mens”, zegt sergeant Hernandez. „Dat zul je gemerkt hebben. Ik doe ook mijn best vriendelijk te zijn tegen de Irakezen. Weet je wat het is? Ik kom uit Puerto Rico, jij uit Amsterdam, uiteindelijk zijn we allebei New Yorkers. In Irak is dat niet zo. We moeten hier voor fucking scheidsrechter spelen én Al-Qaeda vinden én zorgen zelf niet opgeblazen te worden. Ik haat het hier. Ze haten het hier allemaal. Ze zullen het misschien niet meteen toegeven.”

Ik schuif mijn laptop en satelliettelefoon onder het bed.

„Ik heb voor zes jaar bijgetekend”, zegt de sergeant. „Zodat mijn zoon naar de universiteit kan. Eerst dacht ik, ik ga van dat geld zelf naar school, maar nu denk ik, laat mijn zoon maar gaan. Ik ben te oud.”

Al een week woon ik in dezelfde onderbroek. Je kunt elke dag een schone onderbroek aantrekken, je kunt het elke maand doen. Het maakt geen verschil. „Wat ga je doen?” vraagt de sergeant.

„Ik ga vanavond op patrouille”, zeg ik.

„Be safe”, zegt de sergeant. „Ik ben een overlever. Ik hoor nu bij de infanterie, maar van huis uit ben ik een cavalerist. Daarom draag ik dit.” Hij wijst op een insigne. „Ook ter herinnering aan mijn vrienden die zijn gevallen in Sadr City.”