De fondsenwerver

Stasja Koot (33)

Studie: Culturele antropologie (1993-2000) en milieukunde (1999-2001), Universiteit UtrechtWerk: fondsenwerver grote gevers, EdukansHuis: bovenwoningLaatst gelezen boek: Vijf fabels, door Harry Mulisch Brutomaandsalaris: 2.850 euro voor 36 uur in de week

Wat is Edukans precies?

„Edukans verbetert de kwaliteit van het onderwijs in ontwikkelingslanden. We werken in Afrika, Zuid-Amerika en India. We ondersteunen lokale organisaties, die er op hun beurt voor zorgen dat leraren worden opgeleid, dat er goede scholen worden neergezet en dat leerlingen boeken en schriften krijgen. Daarnaast zorgen we ervoor dat het lesprogramma aansluit op de behoefte van leerlingen. Die behoefte verschilt per school en per gebied. Boerenkinderen moeten iets leren over veeteelt, voor kinderen uit een sloppenwijk is dat minder interessant.”

Wat is uw rol als fondsenwerver?

„Ik benader Nederlandse fondsen en bedrijven met de vraag of ze onze activiteiten willen ondersteunen. Er zijn steeds meer bedrijven die geld over hebben voor ideële doelen. Wij werken onder meer samen met uitzendbureau Manpower, dat een project ondersteunt in Ethiopië. Daarnaast gaat uitgeverij Kluwer in een studieboek een folder bijsluiten over een onderwijsproject voor straatkinderen in Oeganda.”

Wat deed u voordat u bij Edukans kwam werken?

„Tot vorig jaar werkte ik vijf jaar in Namibië. Daar heb ik een camping opgezet die wordt beheerd door Bosjesmannen. De Bosjesmannen zijn in Namibië een vrij kleine etnische groep. Van oudsher leven ze van wat de natuur hun biedt: ze jagen op klein wild en eten vruchten en wortels die ze vinden in het bos. Toeristen die op de camping overnachten maken kennis met de cultuur van de Bosjesmannen. Ze leren bijvoorbeeld jagen met pijl en boog en krijgen te horen welke planten eetbaar of juist giftig zijn. Ik heb de camping opgezet maar inmiddels wordt hij draaiende gehouden door de Bosjesmannen zelf. Wel is er een ontwikkelingsorganisatie die hen assisteert bij zaken als marketing en financiën.”

Tobias Reijngoud