Cultuur is taboe bij Duits

Gisteren was het examen Duits op het vmbo. NRC-redacteur Frank Vermeulen – examenjaar 1978 (gymnasium), cijfer 8 – denkt terug aan zijn leraar. Deel 7 van een serie.

Alleen al de hoeveelheid tekst die de vmbo-eindexamenkandidaten gisteren voor Duits moesten lezen, was respectabel. Vijftien teksten op 22 pagina’s waarover in twee uur tijd veertig vragen moesten worden beantwoord. Dat gold voor de gemengde leerweg (gl) en de theorische leerweg (tl). De scholieren van de meer praktisch ingestelde kaderberoepsgerichte leerweg (kb) hadden zelfs zeventien teksten en moesten 42 vragen beantwoorden.

De onderwerpen van de teksten liepen uiteen: een kortingsbon van 50 eurocent voor een kopje koffie in een ‘Gipfelstube’, het 25-jarig jubileum van een noodfonds voor kinderen, chilipepers.

Mijn oude leraar Duits, meneer Boonman, kan ik helaas niet meer vragen wat zijn mening is over dit examen – de school meldt dat hij inmiddels is overleden. Dertig jaar geleden deed ik eindexamen gymnasium aan het Mill-Hillcollege in Goirle. Meneer Boonman had geen voornaam, wel een bijnaam: Boems. Andere leraren heetten Boris, Buik of Pieper. In de hoogste klassen noemden we sommige leraren stoer bij hun voornaam.

De bijnaam Boems, die we schreven als ‘Bums’, verwees naar de soms explosieve erupties waarmee hij van tijd tot tijd de orde in de klas herstelde. Meneer Boonman was een zachtaardige pijproker uit Goes, die ons vertelde dat in Zeeland geen veulentjes op de dijk lopen, maar ‘kacheltjes op den diek’ („Kiek, kiek!”).

De vmbo-opgaven van gisteren toetsen veelal tekstbegrip. Vragen in het Duits werden afgewisseld met vragen in het Nederlands. Bij de kb-variant werd getoetst of leerlingen de informatie uit de Duitse tekst konden toepassen – zo moesten zij op basis van een advertentie voor de musical Mamma Mia! berekenen hoeveel ze moesten betalen voor de goedkoopste plaatsen als ze met twee ouders en twee kinderen, van vijftien en zeventien jaar, naar de voorstelling zouden willen.

Voor de samenstellers van het examen gold kennelijk de stelregel dat vragen die verwijzen naar politiek, geschiedenis, cultuur of literatuur taboe zijn. Wat dat betreft kwam de vraag over Mamma Mia! al in de gevarenzone, maar gelukkig ging het daarbij eigenlijk om rekenen. Voor de gl- en tl-leerlingen was een tekst over breakdancen de enige die in de buurt kwam van een cultuuruiting. „Es ist sicher nicht jedermanns Sache, die Flips, Floats und Spins, mit denen ein Breaker Punkte macht, zu lernen.”

Het aardige van meneer Boonman was dat hij ons, nadat wij drie jaar ‘schwere Wörter’ en rijtjes naamvallen hadden gestampt, ook probeerde warm te maken voor de kernfunctie van taal: transportmiddel van ideeën. Dat was geen sinecure. Het waren verwarde tijden. De ‘fathers’ van de school, die voorheen een kleinseminarie was, verlieten hun klooster en gingen in een nieuwbouwstraat wonen. De rector verliet Maria en trouwde een vrouw van vlees en bloed.

Van 180 leerlingen toen ik er op school kwam, groeide het ‘Mill-Hill’ naar 1.400 leerlingen nu. De school werd onderdeel van Ons Middelbaar Onderwijs, de onderwijskoepel die Brabant regeert.

Het waren ook behoorlijk opstandige tijden. Dus ik wilde Goethe alleen op mijn lijst zetten op voorwaarde dat ook Konsaliks Zum Nachtisch wilde Früchte erop mocht. Pulpliteratuur, daad van verzet. Boonman stond dat toe. Ik moest op het schoolonderzoek mijn keuze in het Duits toelichten. Slimme vorm van repressieve tolerantie.

Van slimheid kunnen de makers van het vmbo-examen niet worden verdacht. De tekstfragmenten en de vraagstelling vormen nauwelijks een logisch geheel. Leerlingen worden nauwelijks uitgedaagd verder te kijken dan hun eigen wereld. Ik denk niet dat meneer Boonman hier een voldoende voor had gegeven.

Kijk voor opgaven en discussie op nrc.nl/eindexamen