Campagne van Obama is niet vernieuwend

Mocht Obama de nominatie én het Witte Huis winnen, dan komt dat niet omdat hij internet goed gebruikt, maar omdat hij leert van de fouten van voorgangers, meent Boris Heersink.

In het artikel ‘Obama 08 voortaan de norm’ (NRC Handelsblad, 21 mei) beschrijft correspondent Tom-Jan Meeus de manier waarop de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama afstevent op de Democratische nominatie.

Het beeld dat in dit artikel wordt opgeroepen, dat Obama met zijn gebruik van het internet de hele traditionele (Amerikaanse) politiek en campagne mechanismen omver heeft geblazen, is helaas een weergave met weinig aandacht voor Obama’s recente voorgangers en – belangrijker nog – een analyse die juist het hart van het succes van Obama’s campagne mist.

Allereerst is Obama verre van de eerste politicus die optimaal gebruikmaakt van het internet. In 2000, de eerste presidentsverkiezingen waarbij het internet daadwerkelijk een rol speelde, lukte het John McCain al om na zijn winst in New Hampshire binnen enkele dagen een paar miljoen dollar aan onlinedonaties op te halen.

In 2003 lukte het de, relatief onbekende, oud-gouverneur van Vermont Howard Dean om alle fundraising records te breken, vooral met donaties die gemiddeld niet hoger dan 100 dollar waren.

Hoewel Obama dus succesvoller is dan Dean en McCain, is het online binnenhalen van grote hoeveelheden kleine donaties niet of nauwelijks innovatief te noemen.

Ook in andere gebruiken van het internet is Obama niet vernieuwend. Het gebruik van internetfilmpjes om de traditionele media te omzeilen en direct in contact te komen met (potentiële) kiezers, is geen uitvinding van het Obama-kamp.

Hillary Clinton kondigde immers in januari 2007 haar kandidaatschap ook al aan via een webvideo. Veel andere kandidaten op lokaal niveau gebruikten YouTube tijdens de tussentijdse verkiezingen van 2006. Ook Al Gore gebruikte het medium al een aantal jaren geleden om zijn comeback na de verkiezingen van 2000 te ondersteunen.

Ten slotte is ook Obama’s gebruik van lokale supporters niks nieuws. Ook Howard Dean kon rekenen op een grote hoeveelheid steun – Dean’s sympathisanten staken hun handen uit de mouwen om hun kandidaat te helpen. Via MeetUp.org, een sociaal internet netwerk, registreerden bijna een miljoen Dean-aanhangers zich, en kwamen vele duizenden Amerikanen elke week bijeen om brieven te schrijven naar geregistreerde Democratische kiezers, of, namens de Dean-campagne in hun buurt vrijwilligerswerk te doen.

Wat Obama’s campagne juist onderscheidt van, bijvoorbeeld, die van Dean, is dat Obama zijn campagne op een zeer traditionele manier georganiseerd heeft. Waar de Dean-campagne leed onder een gebrek aan leiderschap – en een team dat weliswaar verdronk in het geld, maar geen idee had waaraan dat viel te besteden – is het Obama gelukt de gehele campagne strak in eigen hand te houden en door het hele land heen geoliede lokale campagnes op te zetten.

Dat Obama een campagne voert die (bijna) vlekkeloos opereert en, in ieder geval in financieel opzicht, succesvoller is dan al zijn voorgangers, staat dus buiten kijf. Maar het is allesbehalve vernieuwend: Obama gaat straks de Democratische nominatie en wellicht het Witte Huis winnen, niet door innovaties, maar door zijn vermogen om voort te borduren op de campagnes van zijn voorgangers, en te leren van hun fouten. Niet nieuw, maar wel goed dus.

Boris Heersink is als historicus afgestudeerd op de geschiedenis van de Amerikaanse voorverkiezingen. Hij studeert politicologie aan The New School for Social Research in New York.