Toneeldood

Zouden acteurs ten gevolge van hun beroep ook last kunnen krijgen van posttraumatische stress-stoornissen, net als gewone stervelingen die een traumatische ervaring achter de rug hebben?

De vraag kwam bij me op bij het kijken naar De Goede Dood, een door Wannie de Wijn geschreven en geregisseerd toneelstuk. In de Amsterdamse Stadsschouwburg werd gisteravond de laatste, extra ingelaste voorstelling gespeeld.

De zaal zat goed vol, er werd weinig gehoest, iedereen had er zin in. Merkwaardig eigenlijk, want het stuk ging over euthanasie bij een terminale longkankerpatiënt, ogenschijnlijk geen onderwerp waaraan de mens zijn vrije avond wil wijden – dat kan altijd nog, als het zover is.

Maar euthanasie is een onderwerp dat ‘leeft’, als ik het zo mag uitdrukken. Zo brak er tijdens de periode dat dit succesvolle stuk liep een publieke discussie los in Nederland en België rond de zelfgekozen dood van Hugo Claus, toevallig ook nog een befaamd toneelschrijver.

In De Goede Dood schaart zich een handvol familieleden en vrienden, onder wie de behandelende dokter, rond het sterfbed van Wilbert Gieske (ik duid de personages gemakshalve met de acteursnaam aan). Er wordt gelachen, maar meestal met een bittere ondertoon, en de ruzies zijn niet van de lucht. Huub Stapel, patserige broer van Gieske, zoekt voortdurend de confrontatie met Will van Kralingen, weduwe in wording.

Het nadeel van De Goede Dood – van het hele leven trouwens – is dat je weet hoe het afloopt. Wilbert Gieske gaat dood, sterker nog: hij wíl dood en hij mág dood. Huub Stapel eist nog wel uitstel in verband met de regeling van de erfenis, maar daar haal je de opiniepagina’s van de Volkskrant niet mee.

Steeds zat ik te denken: zou Wannie de Wijn als schrijver nog een échte verrassing voor ons in petto hebben? Zou Gieske plotseling van zijn sterfbed opstaan, Stapel een klap op zijn smoel geven, uitroepend: ik blijf nog even? Ik moest denken aan het verrassende einde van The Sopranos: die kogel waarvan we ons eeuwig zullen afvragen of hij nu wel of niet op Tony werd afgevuurd.

Helaas, Wannie de Wijn had gekozen voor het voorspelbare einde. Gieske sterft met de dokter aan zijn zijde en de weduwe in wording aan het voeteneinde.

Ik hoorde nogal wat gesnif om me heen, maar zelf werd ik te veel gefascineerd door de toneeltechniek van dit sterven om ontroerd te raken.

Ze speelden het uitstekend. In doodse stilte – zo heet dat nu eenmaal, en er was echt niemand meer die durfde te hoesten – krijgt Gieske zijn injecties toegediend door dokter-vriend Peter Tuinman. „Daar ga je, Bernhard”, zegt de dokter. Even later kijkt hij ons in de zaal aan en deelt effen mee: „Hij is overleden.”

Daar lag Wilbert Gieske in zijn blauwe pyama onder het felle spotlight. Hoe moet dat nu verder met hem? Zal hij bij het ouder en zieker worden niet af en toe gillend van angst wakker worden, denkend aan deze zo natuurgetrouwe sterfscène? Kan hij zelf nog wel voor een ‘goede dood’ kiezen zonder een uiterst onaangenaam déjà mort-gevoel?

„Hij is overleden.” Het zal je maar gezegd worden.