Museumkunst verplaatst naar Vinexwijk

Tentoonstelling Master Humphrey’s Clock, t/m 8 juni in Leidsche Rijn, Utrecht. Hogeweide 3B en andere locaties. Di-zo 12-18u. Inl.: 020-6255651 / www.masterhumphreysclock.nl

Dickensiaans – het is een adjectief dat kan slaan op peperkoekhuisjes of op ontwikkelingen in het realisme in de literatuur. De curatorenklas van De Appel heeft een Dickensiaanse tentoonstelling Master Humphrey’s Clock, gemaakt in, uiteraard, de tweede betekenis van het woord.

Elke zomer, na een jaaropleiding over hedendaagse kunst en theorie, organiseren de afstuderenden een eindpresentatie in de tentoonstellingsruimte van De Appel in Amsterdam. Dit jaar kozen de kersverse curatoren voor de Utrechtse Vinexwijk Leidsche Rijn, waar ze in een tweedehands winkel een roman van Dickens vonden: The Old Curiosity Shop. Dit boek, waarin de auteur met verhaallijnen experimenteert, vormt de basis van hun show.

Aan de rand van de wijk, tussen onkruid en bouwketen, staat Het Gebouw, ontworpen door kunstenaar Stanley Brouwn. Het ligt zo afgelegen dat de tomtom het nog niet blijkt te kennen. Dit pand is de hoofdlocatie van de curatoren, maar binnen lijkt het even of er geen tentoonstelling is. Zo subtiel zijn de kunstwerken. De leegte is een teken van respect voor Brouwns architectuur, blijkt uit begeleidende teksten. Op de grond liggen gekleurde vlaggen die de suppoosten kunnen ophangen als symbool van hun stemming. Ernaast staan tweedehands stoelen die ze kunnen herschikken als ze ‘net doen of ze zich er thuis voelen’ – aldus de opdracht. En wie de trap oploopt en daar naar een tekst kijkt die op een scherm voorbij glijdt, merkt dat het over hemzelf gaat – een suppoost tikt ter plekke op een laptop Engelse omschrijvingen van de bezoekers in, vermoedelijk Dickensiaanse verhalen improviserend. Hij probeert stoïcijns te blijven als het publiek de grap door heeft.

Drie locaties gebruiken de curatoren in Leidsche Rijn. De tweedehandswinkel waar ze de Dickensroman vonden, heeft in de etalage twee kunstwerken – één verhaalt over hoe Iraqi Airways voor Boeing zowel klant als vernietigingsdoel was in de oorlog. De andere locatie, een oude boerderij, bevat ook twee kunstwerken met verhalen achter de actualiteit. Michael Stevensons presentatie gaat over de rol van de CIA in Guatemala, Simon Starling exposeert een diapresentatie van een bootje in Loch Long, dat wordt opgestookt in een houtkachel. Deze zelfvernietiging verwijst naar de gammele nucleaire boten die daar in het geheim gebouwd worden en waar alleen lokaal protest tegen is.

Dickens via deze verhalende kunstwerken positioneren in Leidsche Rijn is een prima idee. Het helpt identiteit te geven aan een nog zielarme nieuwe wijk. Als kunst in Vinex zich een taak moet stellen, dan is het verschaffen en verdiepen van identiteit toch wel de belangrijkste. En in deze globaliserende maatschappij zijn ook Dickens en Irak onderdeel van de wereld van Leidsche Rijn.

Tot dusver is alles legitiem. Toch wringt er iets. Namelijk dat de kunst alleen schijnbaar de relatie met de plek aan gaat. De tentoonstelling staat niet ín de wijk, maar aan de rand ervan, en de kunstwerken in de winkeletalage zijn moeilijk te ontwaren. De curatoren spreken ontzag voor Brouwn uit, maar reiken omwonenden niet de hand. Een tentoonstelling met een hoog theoretisch gehalte, een catalogus met verstopte boodschappen over concepten, met verwijzingen naar Adorno en Nietzsche, maar niets over Leidsche Rijn of Utrecht – de suppoosten biechten op dat wijkbewoners wegblijven.

Leidsche Rijn is al jaren een soort proeftuin voor openbare en planologische kunst. Vinexwijken en grootschalige bouwprojecten staan voor boeiende en complexe kunstopgaves, maar trekken te vaak kunst die liever ergens anders zou zijn. Curatoren idem. Deze curatoren zijn opgeleid om binnen witte muren te exposeren, niet in een Vinexwijk.