Jan Egeland hunkert naar een meeslepend bestaan

Jan Egeland: A Billion Lives. An Eyewitness Report from the Frontlines of Humanity. Simon & Schuster, 272 blz. € 30,- ***

‘Ik doe komende zomer eindexamen en ben helemaal klaar voor iets anders dan mijn overbeschermde welvarende leven in Noorwegen.’ Met die woorden meldde Jan Egeland zich in 1975 op 17-jarige leeftijd als vrijwilliger bij een katholieke bisschop in Colombia. De bisschop nodigde hem uit een project te doen bij de Motilone-indianen in de jungle.

Jan Egeland heeft het na zijn tijd bij de indianen onder meer tot chef van het Noorse Rode Kruis, VN-vredesgezant voor Colombia, en VN-ondersecretaris-generaal voor Humanitaire Zaken geschopt. Hij was sleutelfiguur in het vredesproces tussen Israëliërs en Palestijnen, werd door Janjaweed uit Darfur gejaagd en had het aan de stok met Ivoriaanse milities, Iraakse veiligheidsagenten en zowat de voltallige regering-Bush. Egeland, die nu een Noorse denktank leidt, vliegt al jaren business class en is close met Bill Clinton en Kofi Annan. Maar hij blijft de calvinist die zich schaamt over zijn ‘luxeleven’ en hunkert naar een meeslepend bestaan. Alles wat Egeland destijds naar Colombia dreef, drijft hem nóg.

Grote denkbeelden over peacekeeping, humanitair werk of de VN komen we in A Billion Lives niet tegen. Daarvoor is het te haastig geschreven. Een ‘tell-all’ boek is dit evenmin. Egeland heeft met de groten der aarde gewerkt, maar als amper vijftigjarige freelance-consultant zou hij zijn glazen ingooien als hij nu al te open was over de (on)hebbelijkheden van politici of de VN-top. En toch heeft dit boek wat. Dat komt allereerst doordat Egeland er geen chronologisch verhaal van maakt. Hij ordent de hoofdstukken thematisch. Dat heeft het voordeel dat de crises centraal staan, niet hijzelf. Die bescheidenheid is gepast in een boek over de vraag waarom een miljard mensen ter wereld maar sporadisch kan beschikken over water, voedsel of geld.

Egeland biedt aardige inkijkjes in het conflict in Colombia en de Irak-oorlog. Hij kende, als zovelen, Sergio Vieira de Mello goed, Annans speciale gezant in Bagdad. Toen Sergio in augustus 2003 bij een bomaanslag op het VN-kantoor om het leven kwam, beperkten de VN hun aanwezigheid in Irak tot een minimum – uit veiligheidsoverwegingen, én om niet als ‘departement’ van het Amerikaanse leger gezien te worden. De hele VN-top stond hierachter. Behalve Egeland. Die vond: we hebben de humanitaire plicht Iraakse burgers te helpen, bezetting of niet.

De pagina’s waarop hij dit dilemma uit de doeken doet, horen tot de beste van dit boek. Ze tekenen de man en zijn idealen, en laten een glimp zien van de formidabele uitdagingen waar de VN voor staan.

Caroline de Gruyter

Lees op nrcboeken.nl een interview met Jan Egeland