Interpretatie

Andreas Klöden houdt niet meer van zijn vaderland. „Ik wil graag in actie komen in Peking, maar niet voor Duitsland. Dat is een onmogelijke droom. Duitse journalisten hebben het wielrennen kapotgemaakt. Ik ben klaar met Duitsland.” Het stond vorige week in La Gazzetta dello Sport.

Klöden is een stijlvolle renner. Een zure renner ook. Het zure stopt hij in zijn stijl. In Duitsland is zuurheid een ander woord voor trots.

De arme Andreas was na het abrupte en obscure afscheid van Der Jan vorig jaar opeens het boegbeeld van een zure natie. Der Jan was allang financieel onafhankelijk en dus onafhankelijk van welke vlag dan ook. Klöden had het met zijn troostprijzen in de Tour de France nog net niet geschopt tot het a-morele dromerschap (wat overigens iets anders is dan een immoreel dromerschap), maar hij was aardig onderweg. Andreas Klöden zat (en zit) met de gebakken peren.

Klöden is een gevoelsmens. Ik heb hem een poosje gevolgd. In de talrijke interviews praatte hij zichzelf de put in. Hij leek het wielrennen voornamelijk te beleven aan de hand van wat er aan negatieve dingen over het wielrennen geschreven werd. Hij leed aan zijn beroep. „Maar ik heb me nooit met doping ingelaten”, herhaalde hij keer op keer. Wat je vooral moet zeggen wanneer je geloofwaardig wilt overkomen.

De gevoelsmens was los. In een volgende aflevering van La Gazzetta plaatste hij vraagtekens bij het presteren van de ploeg CSF in de Ronde van Italië. De kleine continentale ploeg, die qua whereabouts toch een betere voorbereiding had kunnen treffen dan de geregistreerde Pro-Tourploegen, ‘vloog’ voltallig. Vanuit CSF werden er meteen een aantal advocaten op de Duitser afgestuurd om de vermeende laster te ontzenuwen.

O schitterende operette.

Ook in ben een gevoelsmens. Om niet te zeggen een overgevoelig mens. De twee overwinningen na de twee opeenvolgende apocriefe monsterontsnappingen van de dwerg Emanuele Sella van de ploeg CSF tijdens het rigoureuze Dolomietenweekend deden me in sportief opzicht niets. Maar bij de bookmakers heb ik veel gewonnen. Het interpreteren van de whereabouts, dat is de kunst. Ik denk dat ik met de opbrengst een vakantie naar Bali financier.

De pijn van de whereabouts treft vooral de echte renners. De toppers staan ineens voor het voldongen feit dat bergop de topsnelheid vier á vijf kilometer per uur lager ligt. Frustrerend, het vergt enige aanpassing in het hoofd. Daar staat tegenover dat ze verlost zijn van het gepruts met bloedzakken, bloedcentrifuges, geblindeerde auto’s en vervelende journalisten die de afvalzakken controleren op lege ampulles en injectienaalden. Opluchting alom.

En de wielerliefhebber ziet eindelijk weer hoofden over de finishlijn wankelen die even oud lijken als de Dolomieten zelf.