Het geluk van dieren en consumenten

Vreemd is het, dat je over sommige misstanden geregeld leest en er documentaires over ziet, zonder dat er duidelijke weerklank komt – maatregelen, Kamervragen, grote protestbewegingen, enzovoorts.

De enorme varkensstallen die nu op allerlei plaatsen in ons land moeten komen, is zo’n onderwerp. Zembla had het erover afgelopen zondag. In de varkensflats – een tikje eufemistisch woord, het zijn gewoon varkensfabrieken – kunnen de dieren binnenkort met 30.000 tegelijk (dertigduizend!) vetgemest worden.

Dat is vermoedelijk voor de varkens zelf niet beroerder dan het leven dat ze nu leiden in de varkensindustrie, maar dat leven is beroerd genoeg, al zijn er veel boeren die dat keihard ontkennen. Je zag er een paar zondagavond, de Nederlandse gebroeders Van Geneugten die in het oosten van Duitsland al zulke enorme stallen bezaten. De varkens konden er letterlijk hun kont niet keren, maar, zei een van de broers verhelderend: „Ze kunnen ook niet fietsen en dat geeft ook niet.” Boerenlogica vermoedelijk.

Was de varkensflat ooit bedacht om op industrieterreinen varkens, slachthuizen en mestverwerkende bedrijven bij elkaar te brengen, nu komen er gewoon enorme fabrieken op het platteland te staan op plaatsen waar industrie niet is toegestaan. Maar we noemen het stallen en dan kan het wel.

Intussen is het effect wel degelijk vergelijkbaar met dat van een fabriek: er is een grote vervuilende luchtuitstoot, ook nog als de luchtfilters waarover nu heel opgewonden gedaan wordt, in bedrijf zijn; er is een angstaanjagend mestoverschot en giftige stoffen blijven over ook als de mest omgezet wordt in brandstof; de fabrieken genereren veel extra verkeer in gebieden die daar niet voor zijn aangelegd – denk aan de vrachtwagens om de varkens mee te vervoeren naar de slachterijen, aan de veevoederleveranciers, de werknemers enz. – én er is de ten hemel schreiende aantasting van het landschap.

Maar er gebeurt niets tegen deze desastreuze ontwikkeling, ook tot verbazing van hoogleraar agrotechnologie Groot Koerkamp, die verwonderd vaststelde dat men op het ministerie van Landbouw maar al te makkelijk de praatjes van ondernemers gelooft. Oud-minister Veerman protesteerde tegen deze ontwikkelingen, maar ja, hij is oud-minister. Helaas was de huidige minister niets gevraagd of ze wilde niets zeggen, evenmin als we iets te zien of te horen kregen van milieuminister Cramer, die toch onmogelijk voorstander kan zijn van deze ontwikkelingen.

Zembla verkeerde blijkbaar in de naïeve veronderstelling dat de varkensindustrie in Nederland geremd of gestopt kan worden door ander consumentengedrag. Dat is niet zo.

Het overgrote deel van het varkensvlees, 70 à 80 procent, is bestemd voor de export. Voor de overige 20 tot 30 procent kan de consument nog wel iets betekenen maar die doet dat niet, zoals Zembla wel liet zien.

Een biologische boerin, bij wie de varkens gelukzalig in de modder zwommen, zei laconiek dat ze wel zeker wist dat dit níet was wat de consument wilde, die wil veel vlees voor weinig geld. Zo is het. Weliswaar zeggen mensen, als Milieudefensie ernaar vraagt, dat ze vóór een betere behandeling van vleesdieren zijn, maar dat is een tamelijk vrijblijvend soort mening, die niet tot uitdrukking wordt gebracht in de supermarkt.

Toevallig zag ik laatst cijfers van een Wagenings onderzoek naar de acceptatie van biologische producten. Daarin stond dat 52 procent van de consumenten ook geen biologisch vlees zou kopen als het níet duurder was dan ‘gewoon’. Het interesseert de mensen gewoon niet.

De Zembla-aflevering (nog de hele week op HollandDoc te zien) ging niet echt uit mijn gedachten terwijl ik gisteren naar Springwatch keek, het verrukkelijke BBC-programma waarin met de grootst mogelijke aandacht en inspanning in allerlei delen van Engeland broedende vogeltjes, scharrelende muizen en ratten en nog zo het een en ander bestudeerd worden. Al die liefde en aandacht voor dieren. Haha.