‘Westen moet leiderschap tonen’

Yvo de Boer, hoofd van het VN-klimaatbureau, slaat alarm. Zonder hulp aan arme landen komt er van wereldwijd klimaatbeleid weinig terecht. „China en India hebben hulp nodig.”

Yvo de Boer Foto Bloomberg Yvo de Boer, executive secretary for the United Nations Framework Convention on climate change, poses at the FT Global Energy Leaders Summit, in London, U.K., on Tuesday, June 19, 2007. Photographer: Daniel Hambury/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Het gaat niet goed met het mondiale klimaatbeleid, zegt Yvo de Boer. „Als je aan een willekeurige minister uit een Europees land vraagt of hij het noodzakelijk vindt dat ontwikkelingslanden meedoen met klimaatbeleid, dan is het antwoord ‘ja’. Maar als je dan vraagt wat hij eraan doet om hen zover te krijgen, dan volgt in negen van de tien gevallen een oorverdovende stilte.”

Yvo de Boer is hoofd van het klimaatbureau van de Verenigde Naties in Bonn. Hij bereidde de klimaattop vorig jaar op Bali voor en trok daar de aandacht door aan het slot van de moeizame onderhandelingen in tranen uit te barsten. „Ik werd op internet Hollands huilebalkje genoemd.” Gisteren sprak hij in het Japanse Kobe de milieuministers van de acht rijke landen toe, plus vijf grote ontwikkelingslanden, als opmaat naar de G8-top in juli, die vermoedelijk sterk in het teken zal staan van klimaatbeleid. Zijn grote doel is echter de klimaattop in Kopenhagen, eind 2009, waar mondiale afspraken moeten worden gemaakt.

Hoe kijkt u terug op Bali?

„Het was een hoogtepunt. Er is een onderhandelingsmandaat gekomen. Er is een agenda vastgesteld. Het nieuwe was dat niet alleen de rijke landen zichzelf doelstellingen op willen leggen, maar ook de ontwikkelingslanden.”

Die doelstellingen moeten nu worden uitgewerkt?

„De komende anderhalf jaar, tot de top in Kopenhagen, is het zaak dat de ontwikkelingslanden een beleidsagenda maken voor klimaatbeleid, en dat de rijke landen voorstellen doen hoe ze de ontwikkelingslanden daarbij kunnen helpen, welke investeringen ze doen in landen die zelf als voornaamste zorg hebben economische groei en armoedebestrijding.”

Maar de rijke landen doen niets.

„Er zijn terugtrekkende bewegingen. Europa heeft gezegd dat het de emissies in 2020 met 20 en misschien met 30 procent wil terugdringen. Vervolgens is er veel protest ontstaan tegen het beleidspakket dat daarbij hoort. De industrie, Shell voorop, stelt dat het haar ondergang wordt als de richtlijnen zo streng worden. President Bush’ klimaatbeleid komt erop neer, blijkt uit onderzoek, dat de emissies van Amerika in 2025 met 30 procent zullen zijn gestegen om pas daarna te dalen. Je moet maar durven. Japan stelt de noodzaak van nationale klimaatdoelstellingen ter discussie. En Frankrijk dreigt met importrestricties voor ontwikkelingslanden als die niet meedoen met het klimaatbeleid. Niet de manier om onderhandelingen over samenwerking te beginnen, lijkt me.”

Vanwaar die terugtrekkende bewegingen?

„Misschien is dat begrijpelijk, zo kort na Bali. Maar het Westen toont geen leiderschap nu dat nodig is. Hoe krijg je anders de ontwikkelingslanden zo ver om mee te doen? Het bizarre is dat de ontwikkelingslanden juist hard bezig zijn met klimaatbeleid. China wil graag duurzamer produceren, efficiënter, maar ze zeggen ook: als jullie willen dat we méér doen, dan moeten jullie ons helpen. Die hulp komt niet. India werkt aan een nationaal beleidsplan. Zuid-Afrika wil 50 procent reductie. Ook Mexico is druk bezig. Maar er gebeurt niets in het Westen.”

Wat is het ideaal? Wat zou er moeten gebeuren?

„De rijke landen moeten zorgen dat de ontwikkelingslanden hen kunnen volgen. Zonder leiderschap valt er niets te volgen. De rijke landen moeten eigen doelen stellen, zoals Europa al heeft gedaan. Dan heb je iets wat in de richting komt van een reductie waarvan de wetenschap zegt dat die nodig is. Tegelijk moeten de ontwikkelingslanden worden geholpen. De schakel daartussen is internationale samenwerking.”

Hoe moet die hulp eruit zien?

„De wereldeconomie zal de komende jaren groeien. Daar heb je energie voor nodig. Om daarin te voorzien, zal 20.000 miljard dollar worden geïnvesteerd in centrales, de helft in rijke landen, de helft in arme. Als bij deze investeringen geen rekening wordt gehouden met klimaat, dan zien we een toename van de emissies met 50 procent in plaats van de noodzakelijke halvering. De kunst is het geld voor die investeringen in de goede richting te duwen. Door wetgeving. Door fiscaal beleid. Door internationale samenwerking.”

En dat betekent concreet?

„Ik geef een voorbeeld. De komende vijf tot tien jaar zal 40 procent van de elektriciteitscentrales wereldwijd worden vervangen. Dat zal duurzaam moeten gebeuren. Dat gebeurt nu niet. Vervolgens moet het Westen met die kennis en dat geld de ontwikkelingslanden helpen. Zodat ook dáár de energievoorziening duurzaam wordt. Met windenergie bijvoorbeeld. Zodat er wereldwijd afspraken kunnen worden gemaakt, en het voor bedrijven geen zin meer heeft te dreigen dat ze wegens het klimaatbeleid uit Europa vertrekken naar ontwikkelingslanden. Zodat er wat klimaat betreft over de hele wereld gelijke omstandigheden voor concurrenten zijn.”

Wat kan Nederland doen?

„De rol van Nederland kan zijn de financiële architectuur van het wereldwijde klimaatbeleid op orde te krijgen. Bert Koenders heeft daar goede ideeën over. Jacqueline Cramer wil dat Europees agenderen. En ook Wouter Bos realiseert zich goed dat er geld bij moet. We hebben een goede staat van dienst als het gaat om ontwikkelingshulp, financieel beleid en milieutechnologie. Nederland heeft een stevig verhaal te vertellen.”