Voorop in zestig jaar vergeefse strijd

Hij vocht al kort voor hij achttien werd. Nu hij zestig jaar later dood is, blijkt guerrillaleider Marulanda niets bereikt te hebben.

FARC-leider Manuel Marulanda, die op 26 maart blijkt te zijn overleden, heeft zo lang de gewapende strijd gevoerd dat een groot deel van zijn leven samenviel met Colombia’s recente gewelddadige geschiedenis. Hij werd geboren op 12 mei 1930 (of 1932, volgens zijn vader) als Pedro Antonio Marín en hij nam de wapens op voor hij achttien was. Na de moord op de linkse politicus Jorge Eliécer Gaitán, op 9 april 1948, werd Colombia overspoeld door geweld tussen Conservatieven en Liberalen. De familie van Marín was overtuigd Liberaal en toen gewapende Conservatieven naar hun dorp trokken moest hij onderduiken. Met vrienden en familieleden zette hij een Liberale guerrillagroep op. „Vechten was onze enige manier om te overleven”, zei hij later.

Als guerrillaleider kwam Marín in de jaren vijftig in contact met de communistische Partij: hij werd marxist en zijn guerrilla werd communistisch. Hij kreeg de bijnaam ‘Tirofijo’ (Trefzeker) wegens zijn grote schiettalent. Maar midden jaren vijftig koos hij als nom de guerre Manuel Marulanda, naar een in 1953 een vermoorde vakbondsleider.

De FARC ontstond pas nadat zijn groep in 1964 een berucht bombardement van het leger weerstond. Tot begin jaren tachtig bleef de FARC slechts een van de vele zelfverdedigingsgroepen van boeren, en zeker niet de sterkste. Daar kwam verandering in toen ze besloot uit te breiden. De FARC werd zo sterk dat president Betancur in 1984 vredesbesprekingen begon. De groep richtte een politieke partij op, de Unión Patriotica, de eerste serieuze linkse partij sinds de moord op Gaitán. De UP werd echter slachtoffer van een tegencampagne: zeker 5.000 van haar leden werden vermoord.

Marulanda voelde zich verraden en brak het overleg af. Rond dezelfde tijd kwam in Colombia de cocateelt op, de FARC ging belasting heffen in ruil voor de bescherming van de cocavelden. Zo rolde de beweging in de drugshandel, waarmee het naast ontvoeringen, veediefstal en afpersing haar strijd ging financieren.

Ook latere onderhandelingen met de regering leidden uiteindelijk tot niets. In 2002 werd Álvaro Uribe tot president gekozen met de belofte de FARC op te rollen. Met Amerikaanse steun drong hij de FARC zwaar in het defensief en maakte hij grote delen van het land veiliger. Marulanda zag zijn groep sterk verzwakken. Begin maart kwamen twee van zijn topcommandanten om, en nu blijkt hij zelf ook gestorven te zijn. Hij laat een versplinterde en impopulaire strijdgroep achter.

De drugshandel versterkte de FARC militair, maar verzwakte haar ideologisch. Nu sluit ze zelfs akkoorden met de aartsvijand, de rechtse paramilitaire groepen, om elkaars drugshandel ongemoeid te laten. Na zestig jaar vechten heeft Marulanda een oplossing voor de oneerlijke verdeling van land – dé onderliggende oorzaak van een halve eeuw bloedvergieten in Colombia – geen stap dichterbij gebracht.