Vijf Brazilianen mag, maar elf is echt te veel

De EU noemt het plan om het aantal buitenlanders bij clubs te beperken ‘onwettig’.

Gelukkig kan de wet zo nodig veranderd worden, zoals gebeurt bij landenteams.

Het bestuur van de wereldvoetbalbond FIFA brengt deze week het voorstel in stemming dat elk professioneel clubelftal minstens zes spelers van de eigen nationaliteit moet opstellen. Het plan geniet brede steun. De Europese voetbalbond UEFA is voor, evenals Johan Cruijff, Guus Hiddink en andere voetbalprominenten. Van alle Nederlanders is 72 procent voor en 9 procent tegen, volgens NIPO/NPS.

Het plan heeft twee voordelen. Het voetbal wordt spannender, want de rijkste clubs kunnen niet langer zonder enige beperking de beste internationale spelers kopen. Voorts worden de banden tussen clubs en supporters verstevigd, want supporters willen graag ook wat landgenoten in hun elftal.

Niettemin zijn de Europese Commissie en het Europees Parlement tegen. Parlementariërs Bozkurt (PvdA) en Manders (VVD) motiveren hun afwijzing door te zeggen dat het plan indruist tegen de Europese wet, die vrij verkeer van werknemers voorschrijft.

Maar wetten zijn niet heilig. Kijk naar Amerika. Al in 1922 plaatste het Amerikaanse Congres het honkbal volledig buiten de mededingingswet om de competitie spannend te houden. Later damde de overheid ook bij andere profsporten het vrije verkeer van werknemers in.

Maar Europa past de wet strikt toe. Zo kunnen, door het Bosman-arrest van 1995, spelers aan het eind van hun contract transfervrij naar een andere club. Hierdoor is het voetbal minder spannend geworden. Verdere uitholling van het transfersysteem via de Europese rechter dreigt. En nu wordt de wet dus gebruikt in een poging het FIFA-plan, dat de spanning weer wat kan verhogen, te torpederen. Waarom wordt de wet niet aangepast als de sport daar baat bij heeft? Of als de bevolking dat wil?

Nu is er voor wijziging van de mededingingswet wel overeenstemming tussen alle lidstaten nodig. Die is er nu niet. Maar via onderhandelingen, met geven en nemen op desnoods verschillende beleidsterreinen, kan veel worden bereikt.

Het is ook moeilijk geweest om alle EU-lidstaten te laten instemmen met het Stabiliteitspact, dat de landen tot grote bezuinigingen verplichtte. Maar het is wel gelukt, mede omdat Europese politici het pact actief steunden. Als voor een zinvol bezuinigingsbeleid politieke problemen overwonnen kunnen worden, dan kan dat ook voor een zinvol sportbeleid. Of is Europa vooral een project van weldenkende ‘rechtse’ economen?

De Europese Commissie motiveert haar afwijzing van het FIFA-plan door op het discriminerende karakter te wijzen. Dat klinkt overtuigend. Maar de toernooien voor landenteams, EK en WK, discrimineren nog veel meer. In het Nederlands elftal mag geen enkele buitenlander spelen. Wordt dit dan ook verboden? Wat gebeurt er trouwens als een Luxemburger straks bij het Europese Hof eist om voor Nederland te mogen spelen? Het Nederlands elftal is niet van de koningin. Het is, via de KNVB, van de clubs. De inkomsten zijn hoog, en de internationals verdienen goed. Het gaat dus om een economische activiteit. Hierop is toch de mededingingswet van toepassing? Impliceert vrij verkeer van werknemers binnen Europa niet dat bij de landenteams alleen nog maar een Europees elftal mag zijn?

Gelukkig kan de wet zo nodig worden veranderd. Want veel mensen genieten van hun nationale elftal, omdat ze zich ermee kunnen identificeren. En wie enthousiast is voor het eigen team, is vaak ook geïnteresseerd in de tegenstander of het land waar het toernooi plaatsvindt.

Het WK is een ontmoetingsplaats van landen en culturen. Daarbij maakt het de wat nationalistische fans weinig uit of hun spelers blank of zwart zijn. Het op discriminatie gebaseerde WK doet meer voor het begrip tussen rassen en culturen dan politiek-correcte Europese bestuurders.

Bij clubvoetbal geldt in wezen hetzelfde. Supporters willen zich met hun club kunnen identificeren. Dat maakt het voetbal leuk. En hierbij helpt het als de club minimaal een aantal spelers uit eigen streek of land opstelt.

Globalisering confronteert ons met internationale concurrentie, machtige multinationals en grensoverschrijdende migratie. Europa helpt ons hiermee om te gaan. De gemeenschappelijke markt heeft ons voorbereid op de steeds fellere concurrentie van buiten Europa. En de Europese Unie heeft macht in de wereld. Dat is goed. Maar globalisering betekent ook dat mensen het zelfvertrouwen moeten hebben om open te staan voor wat van buiten komt. Zelfvertrouwen hangt vaak samen met een eigen identiteit en met goede wortels in een vertrouwde omgeving. Daarom moet Europa ook stimuleren dat landen en regio’s hun identiteit behouden.

Voetbal kan daarbij helpen. Een club uit de eigen regio is iets waar mensen bij kunnen horen. Dat helpt hen om open te staan voor de rest van de wereld. Tukkers zijn trots op hun FC Twente. Bij de fans is de Zwitser N’Kufo de meest populaire speler. Dat zou hij ook zijn als FC Twente met elf buitenlanders speelde. Maar de club zou dan wel minder fans hebben. Dat zou ook nadelig zijn voor de regio en de manier waarop men daar met globalisering omgaat.

De principes van vrije markt en non-discriminatie moeten niet altijd strikt worden toegepast. De markt werkt niet altijd goed, zeker niet bij het voetbal. En te weinig eigenheid leidt alleen maar tot meer haat en nijd. Goethe zei het al: wie altijd consequent is, komt bij de duivel uit.

Dr. Tsjalle van der Burg is als sporteconoom verbonden aan de Universiteit Twente. Zijn wetenschappelijke artikelen over voetbal zijn verschenen in internationale tijdschriften als de Scottish Journal of Political Economy. Van der Burg is fan van Feyenoord.