Timide rolmodel in de schaduw van ‘machtige eik’

Als jongetje van vijf kwam Orhan Kaya uit Turkije. Hij studeerde medicijnen en schopte het tot wethouder. Zonder daadkracht, menen critici. „Hij maakt nog steeds beginnersfouten.”

Hij mag graag zoenen, maar is niet van de herenliefde. Toch drukte Orhan Kaya de voorzitter van het Rotterdamse COC drie kussen op de wang tijdens de viering van het zestigjarig bestaan, zeven maanden geleden in de Kunsthal.

Groot nieuws in het gepolariseerde Rotterdam (174 nationaliteiten), want de 34-jarige Kaya is én wethouder én van Turkse afkomst. Wat had de GroenLinks-politicus duidelijk willen maken? Probeerde hij als niet-moslim excuses te maken voor de homofobe houding van een groot deel van de Nederlandse moslimgemeenschap?

Van een politiek statement was geen sprake, grijnst Kaya. „Ik heb mijn hart laten spreken. In Turkije is het de normaalste zaak van de wereld wanneer mannen elkaar zoenen of hand in hand lopen. In het zogeheten vrije Nederland wordt heel krampachtig gedaan over zulke handtastelijkheden. Ik weiger daaraan mee te doen. Wat mij betreft wordt er meer gezoend.”

Indruk maakte Kaya – geen familie van D66-Kamerlid Fatma Koser Kaya – die avond sowieso, zegt Kunsthaldirecteur Wim Pijbes. Met dank aan „een inspirerend en doortimmerd verhaal over de vrijheid en gelijkheid van mensen, dat hij zo uit het blote hoofd oplepelde”. Pijbes wist niet wat hij hoorde, toen zijn buurtgenoot uit het Rotterdamse Overschie het woord nam. „Ik dacht: vriend, jij kan dus best wat, wat iedereen ook mag beweren. Laat dat eens vaker zien en horen.”

Vorige maand ontstak Pijbes echter in woede toen de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC) adviseerde om zijn Kunsthal niet meer te subsidiëren. Kaya, als portefeuillehouder Participatie en Cultuur verantwoordelijk voor het kunstbeleid in de stad, wist zich geen raad met het venijn van de getergde museumdirecteur. Pijbes: „Hij belde me op, geschrokken omdat ik het gewaagd had de RRKC-voorzitter af te schilderen als ‘de vrouw van de dokter die ook in kunst is geïnteresseerd’. Hij stamelde dat ik mijn excuses moest maken – wat ik heb gedaan – maar ging voorbij aan de consequenties van dat bezopen advies.”

Zulke kritische geluiden klonken de afgelopen weken vaker in de tweede stad van Nederland. Kaya, een van de zes wethouders in Nederland met Turkse wortels, had het allemaal laten begaan, was de vrijwel eensluidende mening. Hij toont geen daadkracht, hij voert geen regie, hij verkondigt de boodschap van diegenen die hij het laatst gesproken heeft. „Hij is timide en op cruciale momenten zie je hem niet”, zegt oud-wethouder Jan Riezenkamp (PvdA), tegenwoordig voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad. Vorige week nog, tijdens een bijeenkomst van museumdirecteuren. „Halverwege de avond was Kaya ineens foetsie. Misschien was er thuis wat loos, maar handig was het niet.”

Vandaag en morgen is Kaya met het Rotterdamse stadsbestuur op retraite. Hij kondigde vorige week op strijdvaardige toon aan zich tijdens dit collegeberaad sterk te zullen maken voor de kunst: minimaal 10 miljoen euro extra wil hij veiligstellen. Kaya zegt „vanaf nu te willen oogsten”. Hij moet wel. Het ongeduld in Rotterdam is groot, zeker op zijn beleidsterreinen: Cultuur en Participatie. Kaya zegt begrip te hebben voor de sluimerende onvrede. „Kunst raakt mensen en inburgering is ook iets dat rechtstreeks ingrijpt op het persoonlijk leven.”

De voormalig bedrijfsarts heeft bovendien wat goed te maken. Vorig jaar kwam hij in opspraak door zonder enige vorm van controle duizenden euro’s weg te geven aan burgers en instellingen met een goed idee ten behoeve van ‘een betere stad’. Kaya heette een ‘Sinterklaaswethouder’ te zijn en overleefde ternauwernood een motie van treurnis. Zijn verweer („Wie geen vertrouwen geeft, kan nooit vertrouwen krijgen”) maakte weinig indruk. Daarnaast moest zijn partij, de kleinste in de coalitie van PvdA, CDA, VVD en GroenLinks, enkele pijnlijke nederlagen incasseren: een kolencentrale op de Maasvlakte, meer in plaats van minder huisbezoeken van de interventieteams en sluiting van coffeeshops in de buurt van scholen.

Intern nam de kritiek toe. „We moeten ons serieus afvragen of hij wel op de juiste plek zit”, zei partijgenoot Christiaan Jongeneel in het AD. Een bewuste provocatie, erkent Jongeneel nu, bedoeld om binnen de partij een discussie los te maken.

Maar hij staat nog steeds achter zijn woorden, benadrukt hij. „Orhan maakt nog steeds beginnersfouten.” Zelf was hij ook in beeld als wethouder, „totdat Orhan zichzelf op het allerlaatste moment naar voren schoof”. Jongeneel ging schoorvoetend akkoord.

Volgens Pijbes zit Kaya gevangen in een politieke patstelling. „Met acht wethouders ben je sowieso beperkt in je mogelijkheden, helemaal als eenling van een partij die getalsmatig niet eens nodig is voor de vereiste meerderheid.” Critici claimen dat de onervaren Kaya, raadslid sinds 2002, „in de achterzak van burgemeester Ivo Opstelten” zit. Zover wil Riezenkamp niet gaan, maar: „De kunstsector loopt naar de burgemeester toe, niet naar Kaya. In de schaduw van zo’n machtige eik is het lastig manoeuvreren.”

Orhan Kaya wordt geboren op 3 juli 1973, in een Turks-Koerdisch gezin. Hij groeit op in Hozet, een dorp in de enige Turkse provincie met een Alevitische meerderheid. „Orhan is een minderheid binnen een minderheid”, zegt partijgenoot Jongeneel. „Binnen de Turkse gemeenschap is hij dan ook een vreemde eend in de bijt: hij gelooft niet en hij mag graag een biertje drinken.”

Kaya groeit op in een progressief-links milieu, zoals hij zelf zegt, waarin geen plaats of ruimte was voor religie. „Ik bedoel het niet onaardig, maar ik heb daarom ook niets met het geloof.” Toch was het uitgerekend hij die de omstreden Egyptisch-Zwitserse islamoloog Tariq Ramadan twee jaar geleden naar Rotterdam haalde om de islamdebatten nieuw leven in te blazen. „Deze stad heeft een aanjager nodig, iemand die de grootstedelijke problematiek in relatie tot het geloof doorziet.”

Zelf belandt hij op zijn vijfde in Nederland, het land waar zijn vader in 1973 als gastarbeider is neergestreken. Het kost Kaya moeite zijn moeder te overreden hem dan al mee te nemen. „Ik zei tegen haar: stop me desnoods in de koffer, daar pas ik wel in. Toen ik dat had gezegd, was ze om.” Hij komt terecht in Leeuwarden, waar zijn vader een succesvol restaurant opzet en zich beweegt in links-progressieve kringen. Kaya: „We werden als gezin omarmd vanwege onze – zeker voor die tijd – moderne opvattingen, niet om onze Turks-Koerdische achtergrond. Dat laatste telde totaal niet.”

Het op één na jongste kind uit het gezin van zes (drie zussen, drie broers) is de oogappel van de familie, zegt Kaya’s jongste zus Aysel (33). „Ik was vaak jaloers op hem.” En boos, als haar broer „weer eens zo lekker onverstoorbaar bezig was”. Het is dezelfde houding die zijn politieke rivalen in Rotterdam nu vaak met arrogantie verwarren, zegt zij. „Orhan zou af en toe wat losser mogen zijn. In plaats daarvan is hij vaak stoïcijns. Dat had hij vroeger al. Dan kwam ik thuis, en bleek hij niets aan het huishouden gedaan te hebben. Ik werd kwaad, maar hij reageerde totaal niet. Alsof ik niet bestond. Op zulke momenten werd ik razend.”

De stoïcijnse karaktertrek kwam Kaya afgelopen najaar goed van pas, toen op het stadhuis een poederbrief voor hem werd bezorgd. De hele familie was in rep en roer, herinnert zijn zus zichmaar „Orhan bleef rustig. Gebeurt overal, zei hij, ik ben niet de eerste. Orhan is een nuchtere Hollander. Hij wordt pas bang als een van zijn kinderen zich per ongeluk in de vingers snijdt.” Broer en zus komen elkaar regelmatig tegen, want de jongste Kaya is ook actief in Rotterdam. Ze is projectleider bij het Platform Buitenlanders Rijnmond. „Af en toe best lastig, want we zitten vaak in hetzelfde vaarwater en mensen denken: diezelfde achternaam, die spelen elkaar het balletje toe.”

Noem Kaya ‘het schoolvoorbeeld van geslaagde integratie’ en hij haalt demonstratief de schouders op. Ook zijn zus Aysel wenst niet „in een hokje” geplaatst te worden. „Ik doe mijn ding, en dat probeer ik zo goed mogelijk te doen. Ik ben niet de spreekbuis of het symbool van een bepaalde bevolkingsgroep of generatie. Zo wil ik ook niet aangesproken worden.”

Haar broer evenmin. Hij is getrouwd met een Nederlandse, die werkzaam is bij het Rotterdamse Wereldmuseum, en met wie hij vier kinderen heeft. Zij worden tweetalig opgevoed. „Omdat het misschien handig is voor later, niet om de Turkse roots te benadrukken.” In zijn eigen jeugd zette zijn vader de lijnen uit, vertelt zijn zus. „Van hem moesten wij op zwemles, en moest onze moeder leren fietsen. We woonden nu in Nederland, we moesten onze kansen benutten.”

Wie Kaya junior vraagt naar diens identiteit krijgt een stellig antwoord. „Ik voel me Rotterdammer, burger van deze stad.” Zijn begin vorig jaar verschenen participatienota over het ‘stadsburgerschap’ kan dan ook gelezen worden als een persoonlijk relaas. Het gaat om meedoen, het gaat om kansen herkennen en benutten – een blauwdruk van zijn eigen leven. „Orhan is een Rotterdams rolmodel, waar de stad best wat trotser op zou mogen zijn”, zegt zijn vriend, de Iraanse socioloog en publicist Shervin Nekuee.

Toch is dat niet zo, en Nekuee begrijpt waarom. „Ik mis diepgang, maar dat geldt voor vrijwel het gehele college. Orhan is te praktisch, terwijl hij een portefeuille heeft die schreeuwt om intellectuele vernieuwing. Hij verzuipt in de details. Ik vraag mij af: wat zijn zijn dragende lijnen?”

Kaya’s partijgenoot Elbert Kelholt, bestuurder in de Rotterdamse deelgemeente IJsselmonde, herkent zich in die woorden. „Op zich deugen al die losse acties die Orhan initieert, maar ik mis samenhang.” Als het om kunst en cultuur gaat ergert Kelholt zich aan „al die gecultiveerde rommelzones waar zogenaamde creatievelingen worden gepamperd”. De koning van het Rotterdamse uitgaansleven, Ted Langenbach, deelt die mening. „Als wethouder moet je vooral niet achter je ambtenaren aanhollen. Dat zijn conceptdenkers, die consequent te laat inspelen op trends. Kaya is een hele vriendelijke, zachtaardige man van wie ik me afvraag of hij wel eens met de vuist op tafel slaat, zoals zijn beroemde PvdA-voorganger Hans Kombrink.”

Wat Nekuee echter waardeert in Kaya is dat „hij zich niet laat paaien door de jongens en meisjes van het Leidseplein om zich op tv op te werpen als spreekbuis”. Nederland telt al genoeg „talking heads”, schampert hij. „Neem Ahmed Marcouch. Als ik hem weer voorbij zie komen, denk ik: ga als stadsdeelvoorzitter orde op zaken stellen in Slotervaart.” Kaya is veel plichtsgetrouwer, stelt Nekuee. „Rotterdam is zijn werkterrein; daar heeft hij werk te doen.”

Kaya’s grootste politieke wapenfeit is tot dusver het gedwongen vertrek van toenmalig wethouder Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam. Hij was het die drie jaar geleden de motie van wantrouwen indiende na Pastors’ „ongenuanceerde uitspraken” over moslims in een parochieblad. Zelf kan Kaya een glimlach niet onderdrukken als hij aan dat moment wordt herinnerd. Ook al is hij sindsdien de gebeten hond bij de Leefbaren, nu met veertien zetels de grootste oppositiepartij. De kwalificaties aan zijn adres variëren van „politiek onbenul” (Marianne van den Anker) tot „een incontinente brokkenpiloot, die van de coalitie keer op keer een schone luier krijgt” (Dries Mosch).

Alle plaagstoten laten Kaya onberoerd, weet Nekuee. „Ik zat ooit op de publieke tribune, toen Pastors hem vol minachting behandelde. Ik wilde over de reling springen, zo woedend was ik. Maar Orhan bleef ijskoud overeind. Heel knap.”