Terugtrekken uit Joint Strike Fighter steeds lastiger

De vraag of Nederland zal deelnemen aan de volgende fase in het JSF-programma staat morgen op de agenda van de Tweede Kamer. Maar kan Nederland ook nog terug? „Eigenlijk niet.”

Er werd wat afgesomberd, afgelopen donderdag tijdens de ‘openbare hoorzitting’ in de Tweede Kamer over de Joint Strike Fighter. Organisatoren waren drie partijen die argwanend of ronduit afwijzend staan tegenover het JSF-programma: PvdA, SP en GroenLinks. En omdat de drie uitgenodigde experts ook uitgesproken JSF-critici waren, kreeg de hoorzitting het karakter van een openbare afstraffing.

Morgen debatteert de Tweede Kamer over deelname aan de zoveelste fase van het JSF-programma: de Initiële Operationele Test en Evaluatiefase (IOT&E). De luchtmacht wil vanaf 2012 met twee prototypen van de JSF deelnemen aan een testprogramma in de VS. Volgens de luchtmacht is dat nodig om de circa 85 JSF-toestellen die Nederland wil kopen, beter in gebruik te kunnen nemen. Maar tijdens de hoorzitting overheerste een hele andere vraag: kan Nederland eigenlijk nog van de JSF áf?

Eigenlijk niet, verzuchtte activist Frank Slijper van de Campagne tegen de wapenhandel. Nederland is de afgelopen tien jaar in de JSF-fuik gelopen, zei hij. „Onder het mom van vrijblijvendheid heeft Defensie zich sinds 1997 steeds meer gebonden aan de JSF.”

Volgens Slijper is de besluitvorming over de JSF willens en wetens in stukken gehakt, om de grootste Nederlandse wapenaankoop aller tijden (budget: 5,6 miljard euro) beter verteerbaar te maken. „Steeds was er sprake van een nieuwe fase”, zei Slijper, „en iedere keer kostte het geld, veel geld. Maar formeel legden we ons niet vast.” Nog deze kabinetsperiode zal het formele besluit worden genomen tot aanschaf van de JSF. Maar dat besluit, zei Slijper, is ondertussen „een farce” geworden. Volgens Slijper is er geen weg meer terug: „Niet zonder een verlies van circa een miljard.” De opmerking zorgde voor bedrukte gezichten bij Kamerleden Krista van Velzen (SP) en Mariko Peters (GroenLinks).

Heeft Slijper gelijk? In sommige opzichten wel. Lang voordat de Tweede Kamer in 2002 voor het eerst serieus debatteerde over de JSF, had de Koninklijke Luchtmacht zijn keuze voor de opvolger van de F-16 al bepaald. Hoge ambtenaren spraken in interne nota’s zelfs van een ‘sluipende besluitvorming’ ten gunste van de JSF.

Bij de daaropvolgende parlementaire behandeling van de JSF werd de discussie verengd tot een financiële kwestie. In de brief die het kabinet in februari 2002 naar de Tweede Kamer stuurde, werd uitgebreid ingegaan op de vraag waarom de JSF het beste toestel was om de F-16’s op te volgen. Maar tijdens het daaropvolgende Kamerdebat ging het alleen over de ‘business case’. Al in 1999 had het kabinet 200 miljoen gulden beschikbaar gesteld om lucratieve orders voor de Nederlandse luchtvaartindustrie rond het immense Amerikaanse wapenprogramma binnen te halen. Nu had het kabinet besloten om voor 800 miljoen dollar een ‘level II-partner’ te worden bij de ontwikkeling van de JSF. Het bedrijfsleven kon 8 tot 10 miljard aan omzet tegemoetzien. En de overheidsinvestering van 800 miljoen, zo betoogde toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm (VVD) zou tot op de laatste euro worden terugverdiend.

De discussie ging dus over geld. Maar dat betekent niet dat politiek Den Haag zich niet realiseerde wat er op het spel stond. Formeel was de beslissing om deel te nemen aan de System Design & Development-fase (SDD) geen besluit tot aanschaf van het toestel. Maar de investering van 800 miljoen dollar was zo groot, dat het daar in feite wel op neerkwam. Het kabinet had daar geen doekjes omheen gewonden. „Participatie in de SDD is de facto een keuze voor de JSF”, schreef het.

Het besluit was direct omstreden. Waarom moest Nederland zich nú al vastleggen op de JSF? Was het niet veel beter om later kant-en-klare JSF’s van de plank te kopen?

Tijdens de finale vergadering in de ministerraad lieten twee D66-ministers aantekenen dat ze tegen het kabinetsbesluit waren. Tijdens de eerste behandeling in de Kamer staakten de stemmen. Pas na de moord op Pim Fortuyn, de val van het kabinet-Kok en het aantreden van het eerste kabinet-Balkenende was er, met dank aan de LPF, een parlementaire meerderheid.

Zes jaar later is het grootste deel van de 800 miljoen dollar aan de Amerikanen overgemaakt. En inmiddels is er ook een belangrijke vervolgstap gezet in de richting van de JSF. In het najaar van 2006 tekende toenmalig staatssecretaris van Defensie Cees van der Knaap het tweede akkoord met de Amerikanen. Het akkoord over de Production, Sustainment & Follow-on Development (PSFD) van de JSF beschrijft niet alleen hoeveel toestellen elke JSF-partner zal afnemen, maar ook in welke jaren de Nederlandse JSF’s van de productielijn zullen rollen. Opnieuw ging het om een zware financiële verplichting: 359 miljoen euro. Maar JSF’s werden er niet mee gekocht.

Dat geldt wel voor de volgende fase, die morgen zal worden besproken in de Kamer: deelname aan de testfase IOT&E. Om deel te kunnen nemen aan de testfase zal Nederland – voor het eerst – twee JSF’s moeten bestellen. De symbolische waarde van dat besluit was de PvdA – de meest kritische regeringspartij als het gaat om de JSF – niet ontgaan. In het ‘coalitieakkoord’ is het besluit over de testfase daarom in tweeën geknipt. Morgen debatteert de Kamer alleen over het principebesluit om deel te nemen aan de IOT&E en de aanschaf van de eerste onderdelen . De beslissing over de twee testtoestellen (die ongeveer 100 miljoen euro per stuk gaan kosten), valt pas nadat de ‘business case’ van de JSF uit 2002 opnieuw is geëvalueerd, op 1 juli. Pas dan zal duidelijk worden of de investering van 800 miljoen inderdaad wordt terugverdiend.

Voorlopige berekeningen zien er niet goed uit: in het najaar van 2007 was het ‘gat’ in de business case gegroeid van 191 tot 225 miljoen euro. In 2002 is afgesproken dat dat bedrag voor rekening komt van de Nederlandse industrie. Maar afgelopen vrijdag bracht diezelfde industrie naar buiten het „niet logisch” te vinden dat Nederlandse bedrijven zouden meebetalen.

Kan Nederland nu nog af van de JSF? Op het ministerie van Defensie hebben ze het in november van 2007 uitgerekend. Als Nederland uit de ontwikkeling (SDD-fase) van de JSF zou stappen (die loopt tot 2012), bedraagt het tekort in de business case 285 miljoen euro. Als Nederland bovendien zou besluiten om helemáál geen JSF-toestellen te kopen, loopt dat bedrag op tot 439 miljoen euro. De 12,9 miljoen euro die Nederland inmiddels heeft betaald voor de productiefase (PSFD), komt daar nog bij. Dat bedrag is lager dan Frank Slijper van de Campagne tegen de wapenhandel schatte. In zijn bijdrage bepleitte Slijper het voorlopig stilleggen van de besluitvorming rond de JSF. Ook daarvoor zal in de Kamer waarschijnlijk geen meerderheid te vinden zijn.