Reünie

Het begon met twee ouders en zes kinderen.

Op een zwart-witfoto uit 1954, zo’n oerfoto waarmee alle familiealbums beginnen, kijken ze monter in de camera, opgedoft in kleren die je toen alleen op zondag of in de studio van de fotograaf droeg. De twee meisjes op de foto lachen hun tanden bloot, de ouders en de vier jongens zijn gereserveerder. Het jongste meisje, die met de strik in het haar, zou misschien ook wat minder lachen als ze wist dat ze veel later mijn vrouw zou worden; dat moet ik haar toch eens vragen.

Vierenvijftig jaar later zijn de ouders en twee zonen dood, maar de familie is springlevend. Het kostte enige moeite om ze bij de reünie allemaal te tellen, ik kwam op vijfenveertig, de hond van de organiserende kleindochter en haar man niet meegerekend, ook al deed hij de hele dag net alsof hij er altijd bij had gehoord.

Zo’n reünie is een wak in de tijd. Even ligt een stukje ijs open, de rijders remmen af en buigen voorover om zich in het water te spiegelen, daarna gaat de rit verder. Sommige deelnemers zijn nog vol energie en willen zo snel mogelijk verder, andere voelen de afgelegde afstand in elke knook van hun lichaam.

Over het algemeen heb ik nooit zo erg van reünies gehouden, je staat vaak geforceerd uitbundig te doen tegen mensen met wie je nooit zoveel band hebt gehad. Maar een familiereünie is iets anders. Daarover ligt de sluier van een gedeeld verleden, die in de loop van zo’n bijeenkomst steeds gretiger wordt opgetild, ook al blijft enige voorzichtigheid altijd geboden.

Het zijn vooral de jongeren, de tussengeneratie met kleine kinderen, die zo’n bijeenkomst dragen. Ze kennen die zwart-wit foto uit 1954 en vinden het hoog tijd dat er een nieuwe wordt gemaakt, één die alle veranderingen voorgoed vastlegt voor al die familieleden die nog zullen komen. Er ontstond dan ook het nodige enthousiasme toen het zesenveertigste familielid al onderweg bleek, zij het nog onzichtbaar.

De ouderen ondergaan al dat feestelijk gedruis niet zonder weemoed. Zij hebben degenen die overleden zijn te goed gekend om juist op zo’n dag niet af en toe aan hen te denken. En zullen zij er zelf op een volgende reünie nog wel bij zijn? Daarover worden grappen met een hoog realiteitsgehalte gemaakt.

Er liep op het feest een tante uit Canada rond. Ze was speciaal voor deze gelegenheid overgekomen. Haar overleden man was een van de jongens van die foto uit 1954 geweest. De familie had ze altijd gemist, vertelde ze, hún familie had vele jaren alleen maar uit vier mensen bestaan.

Ik luisterde een beetje beschaamd, want voor ons was familie altijd iets heel normaals geweest, een soort rivier die langs je leven stroomde en waarin je je kon onderdompelen wanneer je dat maar wilde.

Op zo’n familiedag moet je nooit te veel doen. Geen uitputtende excursies in de omgeving. Een neef had een geschiedenisquiz over de familie samengesteld. Dat was mooi en genoeg.

Eten, drinken en praten, daar draait het vooral om. En bijna de helft van de tijd gaat om met verwelkomen en afscheid nemen. Het zou me niets verbazen als er nog altijd op die oprijlaan mensen afscheid staan te nemen. Ik hoop dat er een foto van hen is genomen, voor de geschiedenisquiz van over vierenvijftig jaar.