Minister: hij zou in de hel moeten zijn

De dood van FARC-leider Marulanda is de zoveelste tegenslag voor de guerrilla-beweging. Voor de regering van Colombia is het een overwinning die uitzicht biedt op onderhandelingen.

Het bericht dat de bejaarde FARC-leider Manuel Marulanda dood is, betekent een belangrijke overwinning voor de Colombiaanse regering. Toch bracht zij het voor haar heugelijke nieuws dit weekeinde ogenschijnlijk in het voorbijgaan naar buiten. Met een journalist van weekblad Semana nam minister van Defensie Juan Manuel Santos vorige week enkele actuele kwesties door. Op driekwart van het verder niet erg spannende interview kreeg de journalist haar primeur over Marulanda, bijgenaamd Tirofijo:

Journalist: Waar hangt Tirofijo nu uit?

Santos: Hij zou in de hel moeten zijn.

Zij: In welke hel?

Hij: Die waar alle dode criminelen heengaan.

Zij: Waar Tirofijo heen zal gaan?

Hij: Onze informatie zegt dat hij er al heen is.

Zij: Hoezo, Tirofijo is al dood?

Hij: Dat is wat een bron die ons nooit eerder bedroog, ons heeft verteld. [...]

Zij: Dus ik kan boven dit interview de kop zetten: ‘Tirofijo is dood’?

Hij: Dat is voor uw rekening.

Toen Semana het interview zaterdagochtend vroeg op haar website zette stond die kop er inderdaad boven. Als citaat van Santos – en niet als vaststaand feit: sinds Marulanda in 1964 de FARC mede oprichtte werd hij immers al vele malen voorbarig doodverklaard.

’s Avonds kon de plaatsvervangend legerchef de uitlatingen van zijn politieke baas bevestigen. Marulanda zou in maart tussen twee bombardementen op zijn schuilplaats in de jungle aan een hartaanval zijn overleden.

Gisteren zei FARC-commandant Timoleón ‘Timosjenko’ Jiménez in een videoboodschap aan het linkse tv-station Telesur dat „onze hoogste leider op 26 maart aan een hartaanval is overleden in de armen van zijn gezelschap, omgeven door lijfwachten”. Zijn dood zou een gevolg zijn van een korte ziekte. „Een groot leider is verder gemarcheerd.”

In Colombia begon dit weekeinde meteen het speculeren over de machtsstrijd die nu binnen de FARC plaats zou hebben. Volgens zowel regering als de FARC is de nieuwe topman Alfonso Cano een belangrijke politieke ideoloog van de beweging. Hij wordt door kenners ingedeeld bij de politieke vleugel, die een sluimerende machtsstrijd zou voeren met de militaire vleugel. Cano zou meer geneigd zijn tot onderhandelen dan sommige haviken.

Cano heeft niet hetzelfde historisch gegroeide gezag als Marulanda. Een ander probleem voor Cano is dat de guerrillagroep zowel in de publieke opinie als op het slagveld de afgelopen tijd steeds het onderspit delft. De rechts-conservatief Álvaro Uribe is een van de populairste presidenten op een verder nogal links geregeerd continent. Hij dankt zijn populariteit vooral aan de harde en militair effectieve aanpak van de FARC. Met miljarden dollars steun van Washington diende Uribe de ruim veertig jaar oude, grootste guerrillabeweging van Latijns-Amerika sinds zijn aantreden in 2002 de ene klap na de andere toe.

Woordvoerder Raul Reyes werd begin maart gedood bij een Colombiaanse luchtaanval in Ecuador. Een andere lid van de zeven leden tellende FARC-leiding werd door zijn eigen mannen vermoord. De prominente guerrillera Karina gaf zich deze maand over na toenadering door de geheime dienst. Zij zei dat de FARC door de legeracties „versplinterd” is geraakt. Haar eigen front had al twee jaar geen contact meer met het secretariaat.

Uit het middenkader en onder het voetvolk van de FARC deserteren ondertussen elke maand honderden guerrillero’s. Uribe deed zaterdag nog een oproep aan FARC-leden te ontwapenen onder een amnestieregeling. Wie daarbij ook nog een van de 700 gijzelaars meeneemt die in junglekampen worden vasthouden, kan aanspraak maken op grote sommen geld.

Ondanks alle tegenslag zal de FARC als guerrillabeweging militair nooit helemaal verslagen kunnen worden. Ook zal de cokehandel of het bijbehorende narcogeweld met een vervagende FARC waarschijnlijk niet substantieel verminderen. Er zijn in Colombia genoeg andere gewapende groepen om dat gat op te vullen.

Hoogstens mag de regering-Uribe hopen dat verdere verzwakking uiteindelijk leidt tot nieuwe, serieuze onderhandelingen over vrede. Of op zijn minst tot een zogenoemd ‘humanitair akkoord’: de uitruil van gevangen guerrillero’s tegen enkele tientallen prominente gijzelaars.