Kunnen we fijn ons minsaldo weer aanvullen

Het vakantiegeld is weer gestort. De jaarlijkse geldvloed is van grote betekenis voor de economie.

Maar besteden we het extraatje wel aan vakanties?

Rood op de rekening? Graag die digitale spiegelreflexcamera gekocht, of moet de wasmachine nodig worden vervangen? Geen nood, in de verte klinkt hoopgevend hoefgetrappel: elk jaar in mei, en voor een minderheid in juni, wordt het maandsalaris vergezeld van het vakantiegeld.

De massale uitkering – 8 procent van je bruto jaarloon – is een van de belangrijkste financiële gebeurtenissen van het jaar, maar toch gaat hij telkens vrijwel geruisloos voorbij. En niemand weet er het fijne van. Het radioprogramma OVT had drie jaar geleden grote moeite een historicus te vinden die zijn licht kon laten schijnen op de geschiedenis van het vakantiegeld, en zelfs die had zich er speciaal in moeten verdiepen.

Vakantiegeld is een recent fenomeen. In de eerste helft van de vorige eeuw moesten de vakbonden de werkgevers er allereerst van overtuigen dat vakantie überhaupt nut had. Een uitgeruste arbeider zou na zijn vakantie weer opgeladen zijn en productiever aan de slag gaan. Maar het was allereerst een hele slag om dit verlof doorbetaald te krijgen, laat staan dat er een aparte toeslag over werd betaald. Dat gebeurde pas na de oorlog en sindsdien is het vakantiegeld veranderd in een recht dat standaard in elke arbeidsovereenkomst is verankerd.

Vakantiegeld is zo normaal, dat niemand precies bijhoudt om hoeveel geld het jaarlijks eigenlijk gaat. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt geen gegevens bij over het vakantiegeld, maar CBS-econoom Michiel Vergeer kan wel een schatting geven. Volgens zijn ‘expert guess’ gaat het om het formidabele bedrag van 20 miljard euro, dat werkgevers dit jaar aan hun medewerkers uitkeren. „Daar gaat het hoogste tarief voor belastingen en sociale premies vanaf, en dan hou je netto tegen de 12 miljard euro over.”

Dat is geen klein bedrag – denk aan driemaal de jaarlijkse Nederlandse uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking, of de totale jaarlijkse omzet van de kledingbranche. En vrijwel iedereen krijgt er zijn deel van: ook gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden. Het jaarlijkse beschikbare inkomen van Nederlanders bedraagt volgens Vergeer 270 miljard euro. Het vakantiegeld neemt daarvan tussen de vier en vijf procent voor zijn rekening. De vloed van geld in mei is daarom van behoorlijke betekenis voor de economie.

Maar wordt het bedrag ook besteed aan vakantie? Daarover bestaat enige verwarring. Vakantiegeld is gaandeweg steeds vaker gebruikt voor het aflossen van schulden, of van een periodieke roodstand op de betaalrekening. Dat is te zien aan het verloop van de roodstand die wordt bijgehouden. Eind mei worden de rekeningen weer netjes aangevuld. Recent onderzoek van het Nationaal Incassobureau suggereert een nieuwe trend: vakantiegeld wordt besteed aan grote uitgaven en er worden soms zelfs nieuwe schulden aangegaan als het vakantiegeld voor die uitgaven net niet toereikend is.

Die constatering past wel in het beeld van de nieuwe Nederlander. Schuld is niet langer vies en tegenover de traditioneel hoge besparingen in ons land staan steeds hogere schulden. Denk aan de hypotheekschuld, die niet alleen is opgelopen met de gestegen woningprijs, maar ook als deel van de woningprijs is toegenomen.

Bovendien wordt het steeds moeilijker om mensen te vragen hoe ze hun vakantiegeld besteden. Dergelijke enquêtes hadden misschien zin toen Nederlanders eenmaal per jaar, in de zomer, met de charter naar de Costa del Sol vlogen, of met de aardappelen in de achterbak naar Frankrijk reden. Maar vakanties zijn tegenwoordig gespreid over het hele jaar: wintersport, er even tussenuit in de herfst of lentevakantie en inderdaad de grote zomervakantie. Huishoudens zonder kinderen en dat zijn er steeds meer, plegen hun vakanties juist expres buiten de reguliere vakantiedata te plannen.

Terwijl vakanties en de uitgaven daaraan, dus uitgesmeerd zijn over het hele jaar, komt het vakantiegeld nog steeds binnen op het traditionele tijdstip vlak voor de zomer. Geen wonder dat mensen er rond die tijd vaak wat anders mee doen dan op vakantie gaan. In andere perioden van het jaar besteden zij geld van een ándere herkomst juist wel aan vakanties. En wellicht veroorzaken die de tijdelijke roodstand die later door het vakantiegeld weer wordt goedgemaakt.

Want hoeveel gaat er in Nederland jaarlijks eigenlijk op aan vakanties? Volgens de laatste gegevens over 2006 was dat ongeveer 13 miljard euro. Dat bedrag komt wonderlijk overeen met het vakantiegeld van circa 12 miljard euro. Macro-economisch gezien, zegt Vergeer van het CBS, besteden we ons vakantiegeld dus inderdaad aan datgene waar het voor bedoeld is: op vakantie gaan. De hoogte van het bedrag, acht procent van het jaarloon, blijkt destijds accuraat te zijn gekozen.

Dat neemt niet weg dat het vakantiegeld een anachronisme is. Het is geen gunst, maar een recht. En als we door het hele jaar heen op vakantie gaan, waarom is er dan nog steeds die grote uitkering in mei? Budgettair zou het handiger zijn om die acht procent gewoon te verdelen over het jaar, waardoor het maandloon hoger wordt. Kennelijk hebben overheid, werkgevers en vakbonden er weinig vertrouwen in dat de burger in staat is om door het jaar heen zelfstandig voor zijn of haar vakantie te sparen. En wie weet, hebben ze nog gelijk ook.