In de schaduw van broer Robert Capa

Anders dan zijn broer, de oorlogsfotograaf Robert Capa, fotografeerde Cornell Capa liever de vrede.

Cornell Capa in New York in 1983 Foto AP In this 1983 photo released by the International Center of Photography, photographer and ICP founder Cornell Capa is shown sitting at a table in New York. Capa, a pioneer photojournalist who used the medium to illuminate social and political causes, died Friday, May 23, 3008 at the age of 90, according to the ICP. (AP Photo/ICP, Petr Tausk) **NO SALES** Associated Press

Natuurlijk, Cornell Capa was de broer van die ándere Capa, de in 1954 omgekomen oorlogsfotograaf, Magnum-oprichter en bon vivant Robert. Het was die broer die hem in Parijs introduceerde bij zijn fotograferende vrienden Henri Cartier-Bresson en David Seymour. De broer die hun foto’s door hem liet afdrukken en hem al doende tot fotograaf maakte in plaats van de arts die hij had willen worden. De broer die hem in 1946 een baan bezorgde als staffotograaf bij het toen toonaangevende tijdschrift Life en hem zo vaste grond onder de voeten verschafte. Zelfs zijn achternaam was die van zijn broer, want eigenlijk heetten ze beiden Friedmann. Geboren uit Joodse ouders in Boedapest, maakten Robert en Cornell deel uit van de Hongaarse exodus, de golf van talent – schrijvers, choreografen, filmers, fotografen – die het land in de jaren tussen beide wereldoorlogen verliet en het artistieke leven in West-Europa en Amerika zo ingrijpend zou beïnvloeden. Maar Friedmann was geen fotografennaam, besloot Robert en verzon iets nieuws. En zelf eenmaal fotograaf, volgde Cornell hem ook daarin.

Cornell Capa, afgelopen vrijdag op 90-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats New York, heeft de schaduw van zijn vijf jaar oudere broer altijd met sier gedragen. En meer dan dat. Want het was vooral Cornell die na de ontijdige dood van Robert (hij stapte in Vietnam op een mijn) diens reputatie als oorlogsfotograaf in stand hield. En, ook dat, uitvergrootte.

Zoveel Robert kleefde er aan Cornell dat het het zicht op zijn eigen fotografische prestaties gemakkelijk kon ontnemen. Terecht was dat allerminst. Net als zijn broer wilde ook Cornell foto’s maken die er toe deden, maar waar Robert het zocht in het rumoer van de frontlinies zocht hij het in een meer bedachtzame, verhalender benadering.

Al vanaf de vroege jaren vijftig maakte Cornell Capa uitvoerige, soms jaren omspannende reportages over armoede in Honduras, El Salvador en andere Latijns Amerikaanse landen – foto’s waarin zich het echec reeds aftekende van de neokoloniale Amerikaanse invloed in de regio. In 1954 maakte hij een baanbrekende reportage over de omgang met verstandelijk gehandicapte kinderen – een onderwerp dat tot dan toe taboe was in Amerika. Hij volgde de verkiezingscampagne van John F. Kennedy en maakte samen met enkele andere fotografen van het agentschap Magnum (hij was als lid toegetreden na de dood van zijn broer) een historisch boek over de eerste honderd dagen van diens presidentschap. En hoewel hij als ‘vredesfotograaf’ gezien wilde worden – één oorlogsfotograaf in de familie was genoeg, zei hij ooit – maakte hij in 1967 in Israël een memorabele reportage over de Zesdaagse oorlog.

Cornell Capa, een van de laatste exponenten van die Hongaarse exodus, stierf kinderloos. Zijn nalatenschap zal worden beheerd door het in 1974 door hemzelf opgerichte International Center of Photography in New York. Onder zijn leiding groeide het ICP uit tot een toonaangevend instituut voor ‘concerned photograhy’, betrokken fotografie, een term die hij in het Engels zou hebben geïntroduceerd. Al was dat niet de oorspronkelijke bedoeling. Want het ICP moest vooral, hoe kan het ook anders, het werk in ere houden van Robert, die andere Capa.