Het welzijn van nertsen is aantoonbaar slecht

Nertsenfokken is zeker wreed. Niet hun dood, maar hun huisvesting in kleine kooitjes is een groot probleem volgens Frank Wassenberg.

Dat de nertsen het zo goed hebben als Maarten Huygen schrijft (Opinie & Debat, 24 mei), is onjuist. Het tegendeel is waar. Nertsen zijn nog steeds ‘wilde’ dieren; ze worden sinds enkele tientallen generaties gefokt in bontfokkerijen, maar de gefokte dieren wijken in geen enkel opzicht af van hun ‘normale’ wilde soortgenoten. Nertsen zijn roofdieren. Ongedomesticeerd en dus niet gewend aan de mens. Het zijn dieren die in de natuur grote territoria hebben, vaak een of twee vierkante kilometer langs de oevers van beken of rivieren. In dat territorium duldt een nerts geen soortgenoten. Slechts in de paartijd en de periode nadat de jongen zijn geboren zijn mannetje en vrouwtje bij elkaar. Enkele maanden later breken tussen de opgroeiende jongeren gevechten uit; tijd dat het kroost zijn eigen pad kiest en een eigen territorium verovert.

Deze situatie staat in schril contrast met de situatie zoals die bestaat in de bontfokkerijen. Daar zitten de dieren met duizenden op een kluitje, zij aan zij, in eindeloze rijen kooien. De dieren zien elkaar, horen elkaar, ruiken elkaar. Het verschil met hun natuurlijke habitat kan niet groter zijn. Gek worden de dieren ervan. Letterlijk, wat blijkt uit het stereotiep gedrag dat de norm is op bontfokkerijen. Eindeloze rondjes draaien de dieren in hun kleine kooitjes.

Infanticide, een bij gedragsbiologen sterke indicator van verstoord welzijn komt relatief vaak voor in pelsdierfokkerijen.

Dat Huygen die welzijnsproblemen niet gesignaleerd heeft, is niet verwonderlijk. Nertsen zijn van nature nieuwsgierige dieren. Dat is inherent aan hun leefwijze. Elke beweging kan een prooi of een bedreiging betekenen. De dieren zijn daarom zeer alert, jarenlange gevangenschap heeft dat niet veranderd. Wanneer Huygen langs de kooien loopt, met een druk pratende pelsdierenfokker naast zich, kijken de dieren wat er gebeurt. De bezoeker die de moeite neemt om een tijdlang één locatie te bekijken, zich daarbij niet bewegend en zwijgend, zou gezien hebben dat de nertsen snel weer hun normale stereotiepe rondjes in hun kooitjes zouden draaien. Dat is geen vrolijk gezicht. Geen wonder dat de pelsdierenfokker dat beeld voor bezoekers liever vermijdt.

Het grote probleem van de nertsenfokkerij is niet eens dat de dieren gefokt en gedood worden voor een luxeproduct. Het grote probleem is dat nertsen totaal ongeschikt zijn om in kooitjes te huisvesten en dat de ernstige welzijnsproblemen inherent zijn aan het houderijsysteem. Welzijnsproblemen horen bij de bontfokkerij als water in een stortbak.

Nederlanders, en in toenemende mate Europeanen, weten dat inmiddels. De markt voor bont is sinds een aantal jaar dan ook aan het verschuiven van west naar oost. De wrange waarheid is dat het Nederlandse pelsdierenleed wordt veroorzaakt om de ‘nieuwe rijken’ van Rusland en China status te verlenen middels bontjassen en bontrandjes.

Frank Wassenberg is bioloog en lid van Provinciale Staten in Limburg voor de Partij voor de Dieren.